Waarom domineren Britten de Amerikaanse televisie?

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Amerikaanse series als The Walking Dead, Sons of Anarchy en American Gods hebben één ding gemeen: een Brit in de hoofdrol.

In veel grote televisieproducties wordt de hoofdrol, of soms een bijzonder prominente rol, gespeeld door een acteur uit Groot-Brittannië. Zombiekiller Rick Grimes wordt vertolkt door de in Londen geboren Andrew Lincoln; de hoofdrolspelers uit American Gods, Ian McShane en Ricky Whittle groeiden op in respectievelijk Blackburn en Oldham; de ultra-Amerikaanse Jax Teller uit Sons of Anarchy is een rol van Geordie (de benaming voor een persoon uit Newcastle) Charlie Hunnam. In speelfilms geldt deze Britse superioriteit trouwens ook: de huidige Spider-Man is net als veel superhelden Brits. Sommige fans komen daar pas achter als ze hun idool horen spreken bij een talkshow.

De lijst van Amerikaanse televisieseries met Britse hoofdrollen is ellenlang: Deadwood, House M.D., Masters of Sex, The Wire en noem maar op. De hegemonie van Britten wordt door sommige Amerikanen in de entertainmentwereld omschreven als een invasie. En hoewel deze ontwikkeling niet nieuw is, denk aan Engelse acteurs als Cary Grant in Hollywood in de jaren dertig, betekent dit evenwel dat Britten hevig concurreren met Amerikaanse (aspirant-)acteurs. Daarom rijst de vraag: hoe komt het dat de Britten het zo goed doen in de Verenigde Staten?

Charlie Hunnam in Sons of Anarchy

De Britse acteur Stephen Moyer, die in Amerika doorbrak in de vampierreeks True Blood, en die nu acteert in het Amerikaanse The Gifted, reageerde onlangs in een interview met De Lagarde op het Britse overwicht op televisie: ‘We hebben allemaal drama gestudeerd en we trainden veel. Dat is normaal hier, in tegenstelling tot in de Verenigde Staten. Amerikanen hebben de neiging om het werk tijdens het werk te leren.’ Moyer groeide op met de generatie Britse acteurs die nu grote successen boeken aan de andere kant van de oceaan: ‘Andy Lincoln is een goede vriend van me. Mijn studiegenoten van toen zijn Damian Lewis [Homeland, red.] en Matthew Rhys [The Americans, red.].

De Amerikaanse filmmaker Spike Lee sprak enige tijd geleden ook over het verschil tussen Britse en Amerikaanse acteurs: ‘Hun training is substantieel.’ Acteur en schrijver James Lipton, bekend van het interviewprogramma Inside the Actors Studio, vertelde in 2015 aan het tijdschrift Entertainment Weekly waar de Britten in grossieren: ‘Ze trainen hun fysieke attributen; hun stem en hun lichaam. Er wordt ontzettend veel theaterwerk gedaan. Ze kunnen zich in hun rollen distantiëren van zichzelf.’ Dat betekent dat Britse acteurs in de praktijk tijdens hun opleiding ook rollen spelen waar ze toch nooit voor gecast zullen worden, puur om affiniteit te krijgen met het vak.

Ian McShane in American Gods

Een andere reden voor het Britse succes is dat Londen natuurlijk het Britse epicentrum is van kunst, waar theater, televisie en film samenkomen. De globalisatie helpt ook mee: je hoeft als casting director niet langer acteurs fysiek te laten auditeren, soms voldoet een Skypegesprek. Dat betekent tegelijk dat casting directors een grotere vijver hebben om in te vissen, in hun zoektocht naar de beste acteur voor een bepaalde rol. Nieuwswebsite The Daily Beast wijt het Britse succes overigens aan een nogal oppervlakkige reden: Britse mannen kleden zich beter dan hun Amerikaanse evenknieën en zijn zodoende eleganter.

Geboren worden in een monarchie brengt volgens de bovengenoemde website met zich mee dat je afkomstig bent uit een land waar deftigheid en nobiliteit nog wordt gewaardeerd. Hoewel deze bevindingen potsierlijk klinken is er wel een zweem van realiteit in te bespeuren: Amerikanen streven door hun antiautoritaire inborst naar een zekere gelijkheid. Dat sijpelt ook – enigszins – door in hun voorkeur voor de acteermethode The Method: acteren van binnen naar buiten, van innerlijke emotie naar uiterlijk vertoon. Britten beginnen juist andersom: eerst het kostuum aan, dan aan het personage schaven. Hoewel deze gechargeerde tegenstelling natuurlijk niet van toepassing is op iedereen: kijk alleen al naar Daniel Day-Lewis: Brit én 'method actor'.

Stephen Moyer in The Gifted

Zou dat verschil in benadering van het metier een verklaring zijn voor het Britse succes? Filmcriticus Terrence Raffery beschrijft in het tijdschrift The Atlantic dat acteergiganten als Robert De Niro, Gene Hackman en Al Pacino het in de jaren zeventig prima deden, zonder die (Britse) theaterervaring. Zoals acteur Stephen Moyer al zei is het in Amerika nog steeds gebruikelijk om te beginnen met acteren in reclames, om dan hopelijk opgepikt te worden door een televisieserie. Als voorbeeld wordt George Clooney vaak aangehaald, die doorbrak als televisieacteur in E.R. voordat hij in films een grote(re) ster werd.

Maar je zou met enige verbeeldingskracht de strijd tussen de Amerikaanse acteur en de Britse acteur tevens kunnen omschrijven als John Wayne tegen James Bond. De eerstgenoemde rouwdouwer gebruikt zijn noeste handen om mee te bouwen en te vechten. De Britse geheim agent is natuurlijk galant en welbespraakt, met een flitsend outfit. Filmcriticus Richard Brody van The New Yorker ziet in revolverheld Wayne een mens dat met weinig training voor de camera ‘dicht bij zichzelf bleef’. En toch was Wayne een grootse ster, met grootse rollen. Brody noemt dit heel poëtisch ‘het verschil tussen acteren en zijn'. Wayne was.

Soms kunnen acteurs ook gewoonweg beter gecast worden in rollen die gelijkenissen hebben met hun etniciteit of afkomst. Brody noemt als voorbeeld de Brit Daniel Kaluuya in de Amerikaanse horrorfilm Get Out – over een zwarte man die kennismaakt met zijn witte schoonfamilie. Acteur Samuel L. Jackson vond dat Kaluuya’s rol had moeten worden gespeeld door iemand met een Amerikaanse achtergrond. Brody had tijdens het kijken van de film ‘geen idee’ dat Kaluuya een Brit is, en ziet de Britse dominantie als een vorm van ‘democratisering’ van het vak. Iedereen mag meespelen, Amerikanen en niet-Amerikanen.

Wat ontbreekt in Brody’s betoog, is de nijpende vraag: wie zijn die Britse acteurs die in Amerika verzeild raken? Het antwoord is: alumni van prestigieuze, maar peperdure opleidingsinstituten als Oxford en Cambridge. Scholen en universiteiten die uitsluitend bereikbaar zijn voor geprivilegieerde Britten. Hierdoor ontbreken acteurs uit de Britse onderklasse nagenoeg, zo schreef The Guardian al vaker. Het Britse equivalent van een self-made man als Al Pacino (de acteur werd bij allerlei theaterscholen afgewezen en vocht zich toch naar de top) krijgen we naar alle waarschijnlijkheid nooit (meer) te zien.

Andrew Lincoln in The Walking Dead

Maar hoe zit het dan eigenlijk met de representatie van Britse vrouwen op de Amerikaanse televisie? Er is veel meer vrouwelijk (en Amerikaans) acteertalent. Rafferty signaleert als voorbeeld de rol van dochter in series als Mad Men en Ray Donovan: die is vaak veel groter dan die van de zoon uit hetzelfde gezin omdat de Amerikaanse actrice simpelweg beschikt over meer talent. Dus zijn het grotendeels Britse mannen die in New York en Los Angeles beginnen aan een nieuw leven.

Dus moest de John Wayne van deze tijd, Rick Grimes uit The Walking Dead, geïmporteerd worden uit Groot-Brittannië. Andrew Lincoln, de vertolker van het personage, is een alumnus van het Londense Royal Academy of Art, waar niemand minder dan Kenneth Branagh de voorzitter is, en waar Anthony Hopkins en John Hurt ooit scènes repeteerden. Het zijn drie acteurs die het Lincoln al schromelijk voordeden in Amerika.

The Walking Dead S09 wordt 12 februari hervat op Fox

Lees ook