TIFF: Een ode aan het kleine filmfestival

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Als jury op internationale filmfestivals kun je plotseling op een borrel staan met Benedict Cumberbatch. Clementine van Wijngaarden doet verslag vanaf het Transilvania International Film Festival in Roemenië.

Een keer per jaar pak ik mijn koffers, kus de kinderen gedag en vertrek om met een aantal filmjournalisten allerlanden te jureren op een internationaal filmfestival ergens ter wereld. Wereldwijd zijn er zo’n 3000 filmfestivals waarvan er ongeveer 60 een jury hebben die is samengesteld uit filmjournalisten aangesloten bij de Fipresci, de in 1925 opgerichte internationale federatie van filmcritici. Een keer per kwartaal publiceert deze organisatie een lijst met festivals waarvoor je je als lid kunt inschrijven: Guadalajara, Lecce, Hongkong, Tel Aviv, Trontheim – je kunt het zo gek niet bedenken of er is wel een internationaal filmfestival. Naar Cannes kun je ook, of naar Berlijn of Toronto, maar geheimtip nummer 1: de kleinere filmfestivals zijn stiekem het leukst omdat je daar als persjury gelijkwaardig wordt behandeld als de ‘gewone’ gasten. En omdat ieder zichzelf respecterend festival veel aandacht besteedt aan het binnenhalen van tenminste één ster, kan het voorkomen dat je op een cocktail party het glas heft met Benedict Cumberbatch (echt gebeurd). Nu had Benedict het op het International Festival of Independent Cinema in Krakow, Polen in 2014 te druk met anderen om uw journaliste tijdens het klinken in de ogen te kijken, maar op datzelfde festival was er wel een diner waarbij ter linker zijde Joan Allen zat (die ooit Oscar genomineerd werd voor haar rol als Nixons echtgenote Pat in Nixon (1995), maar die een van haar beste rollen speelde in The Ice Storm (1997) die vertelde over haar dochter die haar grijze haren bezorgde, terwijl ter rechterzijde de Iraanse regisseur Bahman Ghobadi vertelde over zijn zelfverkozen ballingschap in Koerdistan – en kom gerust een keer langs.

Nu zou zomaar de idee kunnen ontstaan dat zo’n filmfestival louter plezier is. En hoewel dat grotendeels klopt, is er ook een officieel gedeelte, namelijk films zien. Veel films: drie, vier, vijf per dag – om aan het einde van de week met de andere journalisten te komen tot een film die de Fipresci-Award gaat winnen. Voor veel regisseurs nog altijd een belangrijke prijs, een goedkeuring van de Internationale filmkritiek. En daartussendoor probeer je dan nog films te zien die in Nederland nog niet uit zijn, of juist dat speciaal geprogrammeerde programma, zoals vorig jaar op het International Film Festival Karlovy Vary (in Tsjechië) een retrospectief van Otto Preminger. Dat festival is trouwens een groot festival, het meest prestigieuze van Oost-Europa – in een kuuroord waar je in alles de vergane glorie voelt en waar de hoofdlocatie van het festival – een in communistische stijl opgetrokken kolossaal gebouw – detoneert met alles in de omgeving, maar daarom juist zo mooi is.

Deze week ben ik in Roemenië, in Cluj-Napoca, waar voor de zestiende keer het Transilvania International Film Festival wordt gehouden. Vandaaruit zal ik een week lang dagelijks verslag doen op deze plek. Alvast een tipje van de sluier: Alain Delon zal er rondlopen en de ‘gevaarlijkste film ooit gemaakt’ Roar zal te zien zijn in het kasteel waar, zo wordt gezegd, graaf Dracula oorspronkelijk vandaan komt. Terwijl het festival wordt geopend met de Belgisch/Nederlandse co-productie King of the Belgians. En Metropolis wordt vertoond, het meesterwerk van Fritz Lang uit 1927 begeleid door het Transsylvanische Philharmonisch orkest. En natuurlijk zijn er films, een heleboel films en een heleboel filmliefhebbers en gasten die zo’n festival tot een festival maken.

Transilvania International Film Festival, 2-11 juni, tiff.ro

Lees ook