Jan-Willem van Ewijk: van vliegtuigbouwer en bankier naar filmregisseur

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Uiteindelijk werd Jan-Willem van Ewijk wie hij was: filmregisseur, met een hang naar het Californië van zijn jeugd.

Hij werkte als vliegtuigbouwer en bankier, maar uiteindelijk werd Jan-Willem van Ewijk wie hij was: filmregisseur, met een hang naar het Californië van zijn jeugd.

‘In mijn laatste jaar als investeringsbankier verdiende ik ongeveer vier ton. Had ik nu zoveel geld, dan zou ik daar meer dan tien jaar van kunnen leven.’ Waarschijnlijker is dat regisseur Jan-Willem van Ewijk (1970) een deel van dat bedrag in zijn films zou steken. Schrapen is het immers, als filmmaker, professioneel net zo goed als privé. Op de maandag na dit interview moet de subsidieaanvraag voor zijn volgende project binnen zijn bij het Filmfonds. Van Ewijk – stoppelbaardje, zwart-grijze lokken op zijn voorhoofd, eenvoudige wollen trui – vertelt glimlachend hoe hij een door velen benijd bestaan inruilde voor de onzekerheid van het kunstenaarschap. De locatie is ­Wilhelmina, een nogal krappe lunchroom in de Amsterdamse Eerste Helmersstraat, om de hoek van het appartement ‘in een soort woongroep’ dat Van Ewijk recent met zijn vriendin heeft betrokken, na een klein decennium in een studiootje elders in de stad. De verhuizing is te danken aan actrice Thekla Reuten, die in hetzelfde pand woont. Kennelijk heeft het regisseursbestaan ook zijn prettige kanten, maar toch: Van Ewijk kwam er via een omweg. Laten we beginnen in Californië.
Het waren de late jaren 70 toen Willem van Ewijk, een immunoloog uit Teteringen bij Breda, bericht kreeg van de prestigieuze Amerikaanse universiteit van Stanford. Of hij misschien onderzoek wilde komen doen? Van Ewijk greep zijn kans en verhuisde met zijn vrouw, zoon en dochter naar Californië. De zevenjarige Jan-Willem belandde er in het paradijs. Het weer was altijd mooi, en het weekend had tripjes naar de bergen of naar zee in het verschiet. Spelen deed hij op een pleintje achter hun rijtjeshuis in de stad Palo Alto. Kinderen van gezinnen uit de hele wereld kwamen er samen. Jan-Willem leerde er skateboarden. Zijn beste vriend was een Afro-Amerikaans jongetje dat J.J. heette – zelf werd hij J.W. genoemd. Op één fiets gingen ze naar school, met Jan-Willem achterop, want hij was de kleinste. Ander vertier vond hij in de bioscoop, waar zijn kinderogen zich op een dag wagenwijd opensperden. ‘Het was in Californië dat ik Star Wars zag. Die film maakte een enorme indruk. Ik tekende al veel, maar ben daarna alleen maar ruimteschepen gaan ontwerpen.’

Na twee jaar keerde het gezin terug naar Teteringen. Voor de jongen was het een drama. ‘Ik had moeite om mijn plek te vinden. Ik sprak met een gek accent Nederlands, en werd veel gepest.’ In zijn vrije tijd gaf Van Ewijk zich, behalve tekenen, over aan fotograferen en het schrijven van gedichten. Toch koos hij aan het einde van de middelbare school voor een exacte studie: vliegtuigbouwkunde. ‘Fotografie kun je altijd nog als hobby erbij doen, zeiden mijn ouders. Het was de veilige weg. Daar kwam later in mijn leven een enorme correctie op.’ Aan de Technische Universiteit in Delft merkte Van Ewijk dat de tijd van vliegtuigjes tekenen voorbij was. Een machine moest in de lucht kunnen blijven, en dat vergde eindeloze berekeningen. De studie viel hem zwaar, maar hij zette door. Na zijn afstuderen ging hij werken voor vliegtuigbouwer Bombardier in Montréal, Canada – Noord-Amerika bleef trekken. Ook dat viel tegen. Van Ewijk kwam in de realiteit van de vliegtuigbouw terecht: veel zitten achter de computer, op een vliegveld, in de damp van kerosine. ‘Het creatieve knaagde van binnen.’ Na een jaar nam hij van de ene dag op de andere ontslag en ging terug naar Europa.

Hij kwam in Londen terecht, waar hij een baan kreeg als strategisch adviseur van grote internationale bedrijven. In de tijd van de internetgekte, eind jaren 90, verscheen een van zijn bazen plots aan zijn bureau: Van Ewijk moest een aantal mensen ontmoeten. ‘Die avond belde ik aan op een privéadres in een chique buurt in de wijk Camden. Een bediende in Indiase dracht opende de deur. Het leek net of ik India binnenliep, zo was alles ingericht. Ik werd naar een kamertje geleid met zes mensen. De eigenaar van het huis bleek Harpal Randhawa te zijn, een schatrijke Indiase ondernemer in opkomende markten. Verder zaten er de erfgenaam van het Zuid-Afrikaanse diamantbedrijf De Beers, iemand van de Griekse rederijfamilie Goulandris, enzovoorts.’ De ondernemers wilden een investeringsbank voor Europese internetbedrijven oprichten, en Van Ewijk mocht meedoen. Zijn taak zou bestaan uit het schrijven van een businessplan. Gefascineerd door de setting, en door de belofte van snel geld, zegde Van Ewijk toe.

Antfactory, zoals het fonds heette, vloog als een gek uit de startblokken. Na een jaar telde het al 125 werknemers en 14 kantoren over de hele wereld. Van Ewijk ging ’s ochtends om acht uur naar zijn werk en kwam ’s avonds om elf, twaalf uur weer thuis. In het weekend smeet hij geld over de balk. Fotograferen deed hij niet meer, in de bioscoop zag hij alleen nog de grote Hollywood-kaskrakers. Voor Antfactory haalde Van Ewijk binnen een jaar een miljard dollar aan investeringen op: internetondernemers uit Silicon Valley wilden de Europese boom niet missen. Alleen de kansrijkste plannen kregen geld. ‘We hebben bedrijven afgewezen uit Nederland waarvoor we ons later voor de kop hebben geslagen. Ik wilde in TomTom investeren, maar dat vonden ze in Londen maar niks. Nina Brink hebben we ook bekeken, maar we zagen meteen dat World Online niet meer was dan gebakken lucht.’ Van Ewijk was geen goede investeerder. ‘Ik vond alle plannen gaaf. Als creatief persoon zag ik overal wel iets in, terwijl je juist alleen oog moet hebben voor de risico’s.’

Toen de internetbubbel in 2000 knapte, trokken schuldeisers de investeringsbank uit elkaar. Van Ewijk nam ontslag, kreeg een premie mee en verdiende aldus in het voorafgaande jaar de 400.000 euro waarover hij aan het begin van dit artikel sprak. Hij zou het geld in zes jaar opmaken, maar eerst stapte hij gedesillusioneerd in de auto. ‘Ik ging reizen. Naar Spanje, daarna Italië. Iedere week maakte ik een lijstje: wat wil ik met mijn leven? Filmmaken stond er altijd op. In Barcelona belandde ik op een avond in een hipsterbar. Er waren cocktails, de meubels die er stonden kon je kopen, er hing mooi rood licht. Ik ontmoette een Duitser, Werner Klemm. Hij was van mijn leeftijd en vertelde dat hij regisseur was. “Wauw,” zei ik, “dat heeft me altijd al de leukste baan ter wereld geleken.” Ik was redelijk dronken, dus het kwam van diep. Hij zei dat ik een script moest schrijven van een korte film, en dan gingen we die samen maken. Nog op mijn reis ben ik begonnen met schrijven, op papier. Het eerste beeld was dat van een hand, hangend uit een autoraam, die op en neer beweegt in de wind. Terug in Amsterdam had ik al snel tien pagina’s geschreven, en na twee weken honderdtwintig. Dit is zo gaaf, dacht ik, dit wil ik doen. En ik wil het zelf doen, ik ga niet met Werner regisseren. Ik heb nooit meer contact met hem opgenomen. Ik woonde toen in een huis aan de Amstel dat ik als bankier had gekocht, maar er rustte een hypotheek op van drieduizend euro per maand, en ik wist dat ik kosten moest drukken. Ik heb het verhuurd, later verkocht, en verhuisde naar een kamertje in Amsterdam-Oost.’

Op eigen houtje draaide Van Ewijk in vijftig dagen zijn film, met hulp van familie en vrienden die in de weekenden en avonduren kwamen opdraven. Ook Van Ewijks ex-collega’s uit Londen deden mee. Nu. (2006) gaat over een jonge bankier die, nadat hij zijn vriendin bij een verkeersongeluk is kwijtgeraakt, per auto door België en Frankrijk reist. Na de opnames zat de nieuwbakken regisseur met een berg aan materiaal. Van Ewijk had negentig uur aan film geschoten, waar twintig, dertig uur normaal is. Een Hongaarse vriend die kon monteren wilde zich er wel doorheen worstelen. Na een week belde hij op: hij kon het niet. Het materiaal was ‘slechter dan de slechtste tv’. Van Ewijk besloot zelf te monteren. Hij deed er een jaar over. Het Nederlands Filmfestival (NFF) wilde Nu. echter niet hebben, waarop Van Ewijk een jaar uittrok voor hermontage, maar wederom oordeelde het NFF negatief. Op het festival van 2003 benaderde hij Herman Koerts, die De tweeling had gemonteerd. Koerts wilde helpen, en adviseerde na het bekijken van de dvd om een voice-over te gebruiken. Dat pakte goed uit: de derde montage van Nu. haalde het NFF wél. De film won er zelfs een prijs voor Beste Debuut, en zou later complimenten krijgen van het toonaangevende Amerikaanse blad Variety. Eindelijk was Van Ewijk wat hij wilde zijn: filmregisseur.

De volgende film (deze week op televisie) kwam op soortgelijke wijze tot stand, zij het op een hoger niveau. Van Ewijk stuurde het scenario van Land., dat uiteindelijk Atlantic. zou gaan heten, naar het Sundance Lab van Robert Redford, dat hem uitnodigde het ter plekke verder te ontwikkelen. Het verhaal leunde wederom op eigen ervaringen. Als surfer kende Van Ewijk het Marokkaanse dorpje Moulay Bourektoune, vlakbij windsurfoord Essaouira. Wat als een jonge dorpeling nu eens op zijn plank stapte en koers zette naar Europa? De hoofdrol ging naar een jongen uit Essaouira – Fettah Lamara – en Thekla Reuten zou de toeriste spelen op wie hij verliefd wordt. Weer bleek de montage de flessenhals: een proefversie werd door zowel Van Ewijk als door geldschieters ronduit slecht bevonden. Zelfs met Herman Koerts kwam Van Ewijk er niet uit. Het zouden de toevoeging van muziek en geluid zijn die Atlantic. maakten tot wat hij is: een poëtische zoektocht naar geluk. ‘Opeens hoorde je de zee, de golven, de wind. Het kijken werd een ervaring.’
De filmfestivals van Berlijn en Cannes wilden Atlantic. niet hebben. Dat van Toronto wel, en daar beleefde de film zijn wereldpremière. Dankzij een handig pr-bureau belandde Van Ewijk met Lamara op een gala van de Hollywood Foreign Press Association. Die vakvereniging van buitenlandse filmjournalisten reikt ook de Golden Globes uit, en daarom barstte het op die avond van de lobbyende filmsterren. ‘Van de driehonderd gasten behoorden er zeker honderd tot de allerberoemdste acteurs ter wereld. Voor ons langs liepen Jake Gyllenhaal, Robert Downey jr. en Jon Stewart. Ben Stiller kwam op Fettah af en zei: “Wauw, wat heb jij een gaaf jasje aan!”’ Van Ewijk durfde niemand aan te spreken. Onwennig begaf hij zich naar de rookplek. Toen Naomi Watts naast hem kwam staan, kreeg hij onverwacht veel aandacht van haar bewonderaars. ‘Een lange, blonde vrouw sprak me aan. “Ben jij het vriendje van Naomi?” Ik zei: “Nee, ik sta gewoon naast haar.” Zij: “Ik dacht al: Wat heeft ze een knap vriendje.” Ik had moeten antwoorden dat zij óók knap was, maar in plaats daarvan gaf ik haar een compliment voor haar diamanten ring. Later bleek het Gwendoline Christie te zijn, een van de sterren uit Game of Thrones. Ik had die serie nog nooit gezien.’ Atlantic. deed het goed in Toronto, en werd daarna op een trits andere internationale filmfestivals vertoond. Variety prees Van Ewijk wederom voor zijn werk.

Inmiddels is hij bezig met de subsidieaanvraag voor een volgend project. Sleep. heet de film. Weer een punt in de titel. Waarom? ‘Ik heb die punt nooit goed gesnapt. Ik zette hem opeens en hij stond gewoon mooi. Misschien heeft het te maken met een einde en een nieuw begin. Sleep. zie ik als het laatste deel van een drieluik over verlies. De film gaat over een vader die zijn tienerdochter kwijtraakt door een schietpartij. Hij stapt in zijn auto en gaat de reis maken die hij met haar had gepland. Wellicht heeft het met mijn jeugd te maken. Mijn ouders hebben na mij een dochter gekregen, die stierf toen ze een jaar oud was. Ik was twee en kan het me niet herinneren, maar het moet een indruk op me gemaakt hebben.’ Sleep. speelt zich af in de Verenigde Staten. De vader is Nederlands, zijn gezin is Amerikaans. ‘Het is een soort mij die daar is gebleven, en er een kind heeft gekregen.’ Amerika: het land laat Van Ewijk niet los. Ook is Sleep. weer een road movie. Wat zit daarachter? ‘De wereld zien, ontdekken, dat zit diep in mij. Dan denk ik terug aan dat speeltuintje achter ons huis in Californië. Het maakte niet uit waar je vandaan kwam of hoe je er uitzag. Ik speelde met vriendjes en vriendinnetjes uit Zuid-Amerika, Japan, Israël, het Midden-Oosten… Dat speeltuintje heeft voor mij de wereld geopend.’

Atlantic, NPO 3, 17 december, 00:10 uur.

Lees ook