Interview: Wilfred de Bruijn (Op zoek naar Frankrijk)

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Vlak na de opnames van Op zoek naar Frankrijk (deze week herhaald) vertelde Wilfred de Bruijn over zijn leven in Parijs en het ‘verkrampte’ gelijkheidsdenken dat het land in z'n greep heeft.

Vlak na de opnames van Op zoek naar Frankrijk (deze week herhaald) vertelde Wilfred de Bruijn over zijn leven in Parijs en het ‘verkrampte’ gelijkheidsdenken dat het land in z'n greep heeft.
Bloeddorstige films kan hij niet meer kijken. En als hij met zijn vriend – die hij consequent vriendje noemt – in de metro zit, gaan ze twee meter uit elkaar staan om maar op geen enkele manier aanstoot te geven. De gebeurtenis, waarbij Wilfred de Bruijn inmiddels bijna drie jaar geleden in Parijs door een groep homohaters in elkaar werd geslagen, is hem niet in de koude kleren gaan zitten. Terwijl het tegelijkertijd zijn claim to fame is geweest. Nadat hij de ochtend na de molestatie een foto van zijn zwaar gehavende gezicht op zijn Facebookpagina had gezet, werd deze binnen een mum van tijd 10.000 keer gedeeld. In de dagen erna werd hij in Frankrijk het symbool van de strijd tegen homohaat. Nog geen 32 uur na het voorval zat De Bruijn in DWDD waar hij opviel door zijn openheid en eloquentie. Een paar weken later kwam hij terug als tafelheer en nog altijd schuift hij regelmatig aan en leerde hij, in het dagelijks leven werkzaam als bibliothecaris bij de Parijse Fondation Custodia, steeds beter om te gaan met de etiquette van het programma waar een tafelheer aanwezig, maar niet té aanwezig moet zijn.

Vorig jaar informeerde de VPRO of hij het zag zitten om een programma over Frankrijk te maken. Een beetje in de lijn van de programma’s zoals Jelle Brandt Corstius ze in Rusland maakte, of Ruben Terlou nu weer in China. In dit geval dan op een persoonlijke manier laten zien hoe de Franse samenleving ervoor staat na de aanslagen van vorig jaar en om te kijken wat nog over is van de waarden vrijheid, gelijkheid, broederschap – de pijlers van de Franse republiek. En zo zien we De Bruijn in de eerste aflevering – in mosterdgele broek, blauw jasje, zijn tikje olijke gezicht erboven – op zoek gaan in buitenwijk Saint-Denis, niet alleen het arme deel waar de Fransen met veelal Arabische roots hun huizen hebben in troosteloze woonblokken en waar je bij het woord ‘toekomst’ automatisch ‘geen’ plaatst , maar ook de wijk waar een van de sjiekste scholen van Frankrijk staat, een nog door Napoleon opgericht meisjesinternaat. Op vrijdagmiddag rijden de Porches en Jaguars af en aan om de meisjes op te halen van deze enclave van schoonheid in de verder o zo grauwe banlieu. In die eerste aflevering worden die twee werelden tegenover elkaar gezet en vorst De Bruijn er doorheen, waarbij opvalt dat hij zich met evenveel gemak lijkt te begeven tussen de gegoede burgerij als een gesprek voert met een moslima op straat. Al valt op dat hij ‘op straat’ net wat meer lijkt te durven in zijn vraagstelling. Klopt die observatie?

De Bruijn: ‘Ik heb juist het tegenovergestelde idee! Ik heb bijvoorbeeld een gesprek met François de Ricqlès, de directeur van veilinghuis Christie’s in Parijs – ik ken hem persoonlijk. Als je goed luistert, hoor je ook dat ik hem tutoyeer. Dat is heel ongebruikelijk in Frankrijk. Ik stel, zeker voor Franse begrippen, een paar kritische vragen, waarbij zijn antwoorden behoorlijk ontluisterend zijn. Als ik hem bijvoorbeeld een vraag stel over privileges, dan zegt hij – en dat meent hij – ‘Ik heb geen privileges’. Frankrijk is een tot op het bot verdeelde maatschappij, een klassenmaatschappij, die zichzelf nooit zo zal noemen. Door het maken van deze serie ben ik me daar alleen maar bewuster van geworden.’

De Bruijn kwam in 2003 als 28-jarige pas afgestudeerde kunsthistoricus aan in Parijs. De eerste tijd viel ‘vies tegen’. ‘Ik had die baan bij Custodia gekregen en het leek me geweldig, maar het was buitengewoon zwaar. Ik zei tegen mezelf dat ik het tenminste een jaar vol moest houden. Ik snapte niets van de codes. Daarbij zijn Fransen niet zo makkelijk benaderbaar. Als ze je niet kennen, niet kunnen plaatsen, kijken ze de kat uit de boom. Tegelijkertijd had ik geen zin om privé teveel met collega’s om te gaan, of me in de wereld van de expats te storten. Ik ben vrijwilligerswerk gaan doen – ongebruikelijk in Parijs – om mensen te leren kennen. Langzaam werd mijn Frans beter en toen ik een vriend kreeg, werd het ook makkelijker.’

‘Fransen,’ zegt de Bruijn, ‘zijn echte vriendschapsmensen. Die vriendschappen worden al vroeg in het leven bezegeld en gaan vaak een leven lang mee. Mensen eten samen, vieren samen vakanties in hun buitenhuizen. Het ziet er heel gezellig uit, maar je moet je wel kunnen conformeren, er gelden vaak strikte regels. Die vriendengroepen zijn een houvast. Want Frankrijk is een land waar de angst en het wantrouwen groot is. Daardoor is de behoefte aan iets vasts eveneens groot. Als je denkt dat iedereen je onderuit wilt halen, is er niets fijner dan je verschuilen in een groepje. Tegelijkertijd heb je het groepje nodig, kan het een springplank zijn en is het een netwerk om ergens te komen.’

De Bruijn noemt het ‘verkrampte’ gelijkheidsdenken als een van de oorzaken van de indentiteitscrisis waarin het land verkeert. ‘Er wordt hier de schijn opgehouden dat je alleen op je kwaliteiten wordt afgerekend en dat iedereen gelijke kansen heeft. Zo is ook het onderwijs opgesteld: er is een niveau en dat moet iedereen doen, het baccalauréat, vergelijkbaar met ons atheneum. Als ik uitleg hoe het in Nederland gaat, vinden ze het onbegrijpelijk dat bij ons al zo vroeg geselecteerd wordt, alsof je op die leeftijd al kunt weten wat je kunt. Maar natuurlijk kan ook in Frankrijk niet iedereen VWO-niveau aan, waardoor dat niveau, zo wordt gezegd, steeds verder is gedevalueerd. Je ziet in Frankrijk dan ook dat de universiteit niet de plek is waar de besten worden opgeleid. De elite stuurt zijn kinderen naar de Grandes Écoles, daar wordt de nieuwe bovenlaag klaargestoomd.’

In een van de afleveringen onderzoekt De Bruijn het pessimisme van de Fransen. Frankrijk is het land waar de meeste antidepressiva van Europa worden geslikt, het glas is er per definitie halfleeg. De Bruijn: ‘Het is echt verschrikkelijk. Toen mijn vriendje Olivier pas begon met werken, begon hij al te mekkeren over zijn pensioen. Werken wordt hier gezien als de hel. Ik begrijp het wel enigszins. Zo is de hiërarchie heel scherp. Eigen initiatief wordt niet gewaardeerd, orders zijn er om uit te voeren. Ook al weet je dat het misschien op een andere manier beter kan, dan is het beter om dat niet te doen. Bovendien: als het fout gaat, kun je altijd de verantwoordelijkheid afschuiven. Fransen kunnen daarbij niet goed samenwerken. Maar het meeste wonderlijke vind ik de uitdrukking ‘met de Franse slag’. Als de Fransen iets niet kunnen, is het dat wel. Alles gaat juist altijd helemaal volgens protocol, is helemaal uitgekristalliseerd. Deden ze maar eens wat meer met de Franse slag!’

Hoewel het in Parijs een tijd duurde voordat De Bruijn het echt als zijn thuis zag, voelt hij zich toch bij veel mensen vrij snel op zijn gemak. Dat gemak zie je ook terug in de serie. Zelfs zijn bezoek bij rechts-extremisten gaat hem ogenschijnlijk eenvoudig af. 'Maar ik vond het eigenlijk doodeng. Vooral toen de jongens van Génération Identitaire me herkenden en vroegen “Ben jij niet die homo activist uit 2013?”. Ik hield mijn hart vast. Ze doen heel beleefd, maar zulke lieverdjes zijn het niet.' Het blijft dubbel: dat hij deze serie nu maakt, heeft hij te danken aan die nacht in april in 2013 toen hij met Olivier van een feestje kwam en niet veel later wakker werd in de ambulance, met gebroken oogkas, een gebroken tand en zijn hele gezicht bont en blauw geslagen. Zijn belagers hadden tegen hem aangeschopt alsof hij een voetbal was. De drie mannen zijn inmiddels veroordeeld, de fysieke schade is, afgezien van een tand die hij elke tien jaar moet laten vervangen, genezen maar er is nog wel psychische pijn bij hem en zijn vriend. Hoewel De Bruijn probeert er niet te veel in te blijven hangen. ‘Maar, zoals ik al zei, dat uit elkaar gaan staan in de metro of het voorzichtig zijn op straat is toch een vorm van zelfontkenning waar ik eigenlijk tegen ben.’ In de tijd van de molestatie werd in Frankrijk hevig gedemonstreerd tegen het homohuwelijk. Inmiddels is de wet aangenomen, zijn er zo’n tienduizend homoparen in het huwelijk getreden en, zegt De Bruijn, ‘hoor je er niemand meer over’. ‘Nu wordt er gestreden voor – en gedemonstreerd tegen – het feit dat alleen heteroseksuele echtparen recht hebben op bijvoorbeeld IVF. Maar het homohuwelijk zelf is geruisloos geaccepteerd. Wist je dat bij homostellen het Front National de meest gekozen partij is?’ Het zijn net normale mensen hoor, homo’s. Wil de laatste die binnenkomt de deur achter zich dicht doen – een uitdrukking die zeer van toepassing is hier. Ik ben binnen, wat er gebeurt met mensen die na mij komen – het zal me worst wezen. Ook de waarden van het broederschap zijn flink afgekalfd.’

Lees ook