Interview: Rudolf van den Meer (Een echte Vermeer)

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Het levensverhaal van meestervervalser Han van Meegeren (1889-1947) smeekt om een verfilming – toch hield regisseur Rudolf van den Meer zich bij Een echte Vermeer (vanaf vandaag in de bioscoop) ?niet aan de feiten.

Het levensverhaal van meestervervalser Han van Meegeren (1889-1947) smeekt om een verfilming – toch hield regisseur Rudolf van den Meer zich bij Een echte Vermeer (vanaf 3 november in de bioscoop) niet aan de feiten.
 

Eindelijk is-ie er: een speelfilm over Han van Meegeren, de meestervervalser uit Nederland die in de jaren 30 en 40 niet alleen schilderijen van grote meesters (Vermeer, Frans Hals, Pieter de Hooch) vervalste, maar er nog een schepje boven op deed, door in de stijl van de beroemde schilders te werken en op die manier ‘onontdekte’ werken op de markt bracht. Zo is Van Meegeren de maker van de Emmaüsgangers, de zogenaamde ‘vroege’ Vermeer die hij voor tonnen aan museum Boijmans van Beuningen sleet en verkocht hij in de oorlog voor een groot bedrag de Vermeer-vervalsing Christus en de overspelige vrouw aan Hermann Göring. Onder meer die verkoop zou zijn ondergang worden, want door deze collaboratie met de Duitsers stond hij na de oorlog voor de rechtbank en moest hij kiezen: of zijn geheim vertellen of een lange gevangenisstraf of zelfs de doodstraf krijgen. Hij koos voor het eerste: op vervalsing stond twee jaar. Hij kreeg een jaar, maar zelfs die heeft hij niet uitgezeten, want Van Meegeren zou in 1947 overlijden aan een hartaanval .

Je zou denken dat het historische verhaal alle ingrediënten heeft voor een spannende speelfilm – die er al jaren geleden had moeten zijn. Toch heeft het maar liefst zeventig jaar geduurd voordat eindelijk een film kwam: Rudolf van den Meer, regisseur van onder meer Süskind, van Tirza en De avonden, maakte hem.

Het kan niet anders dan dat er mensen bezig zijn geweest met het idee. Maar jij bent de eerste die het daadwerkelijk om heeft gezet in een speelfilm.
Ja.

Op een manier die anders is dan je misschien zou verwachten.
Ik ben blij dat je het ziet.

Je zou bij zo’n onderwerp denken dat je er niet veel omheen hoeft te verzinnen, maar dat heb je juist wel gedaan. Kun je toelichten waarom?
Je vraagt waarom ik me niet aan de werkelijkheid heb gehouden? Daarop heb ik een makkelijk antwoord: dan krijg je een documentaire of een wetenschappelijke verhandeling, maar geen drama. Film is drama.

[blendlebutton]
Maar die historische werkelijkheid, het verhaal over Han van Meegeren lijkt in zichzelf al zo’n groot drama.

Niet als je dat klakkeloos omzet. Dan zit je te kijken naar een verhaal dat van en toen, naar toen gaat. Neem bijvoorbeeld de methode die Van Meegeren bedacht om zijn schilderijen te verouderen. Dat is een behoorlijk technisch proces. Als je dat realistisch, naturalistisch reproduceert dan zou het één grote gaap zijn. Tenzij je het zo goed doet dat het helemaal daar over gaat, maar dat is niet mijn soort film. Ik heb ervoor gekozen om het technisch procedé terug te brengen tot een paar kolderieke scènes waarin hij met flesjes en dingetjes bezig is.

Je cookie-instellingen zorgen ervoor dat je dit deel van de website niet kunt zien.

Wijzig hier je cookie-instellingen

Zou het kunnen zijn dat al de scenario’s die in de la liggen of in de hoofden van regisseurs, niet gemaakt zijn omdat ze te dicht bij die werkelijkheid bleven?
Dat denk ik dus. Als je te dicht bij de werkelijkheid blijft dan heb je te maken met een hele onaardige hoofdpersoon. Een rancuneuze man vol sentimenten, die draagt geen film. Ik heb het scenario samen met Jan Eilander geschreven en ik denk dat het ons gelukt is om juist bij die werkelijkheid weg te komen, mede door de vertelstructuur – een raamvertelling, die begint en eindigt in de rechtszaal – én door het besluit om het totaal niet realistisch te doen. Ik weet ook nog dat Jan, toen we in het begin worstelden met wat voor soort man het was, opeens zei: hij doet me denken aan Herman Brood. Die was ook egomaan en maniakaal, dreef altijd zijn eigen zin door, rookte en dronk en wat al niet meer. Hij was aanvankelijk ons referentiepunt.

We hadden het net al even over de scènes waarin je Van Meegeren halfnaakt door zijn atelier laat dansen en zingen terwijl hij zijn scheikundige verouderingsproeven uitvoert. ‘Kolderiek’ noem je die zelf. Ik begreep van Jeroen Spitzenberger die de hoofdrol speelt, dat hij wel even na moest denken over deze scène, waarin hij – zijn eigen woorden – ‘in een lendendoek in het rond moest dansen.’
Het was in de voorbereidingen ontzettend zoeken naar scènes waarin je het megalomane vuur van die man kon zien. Een man die denkt dat hij net zo goed is als Vermeer. Die de hele wereld eens even wil laten zien wat hij kan. Opeens dacht ik: maar dat is opera! Vervolgens wist ik ook welke: Van Meegeren is als de kapper uit De barbier van Sevilla van Rossini, die daar even uit staat te pakken: ik ben de beste en de grootste. Ik dacht: dat moet de toon van die scène zijn. Ik heb die muziek wel honderd keer gedraaid toen ik aan het schrijven was. Het had fout uit kunnen pakken Maar ik geloofde er heilig in. Toen ik De avonden maakte, heb ik op dezelfde manier met muziek gewerkt. Dan deed ik echt dingen deed waarvan iedereen dacht: kan dit wel terwijl ik daar zelf in een soort overmoed niet eens stilstond of me afvroeg of het misschien misplaatst was.

Is dat uw signatuur?
Het is een soort hartstocht om tot uitdrukking te brengen wat je niet precies op papier kunt zetten. Je kunt opschrijven: hij is bevlogen, hij is megalomaan. Maar hoe maak je dat voelbaar?

Zit ’m dat ook niet in de acteur die het speelt?
Natuurlijk, maar wat doet die acteur? Wat laat je hem doen? Als je hem laat meezingen met Rossini en op de muziek laat dansen en hij doet het goed –en Jeroen doet het heel goed – dan ga je het geloven, dan ga je het meebeleven. Waarom zou je zo dicht bij de werkelijkheid moeten blijven als het ook zo kan?

U bent gevraagd om deze film te maken, kende u het verhaal toen al?
Ik kende het, maar ik zou nooit op het idee zijn gekomen om daar een film van te maken. Al researchend, denkend en pratend en later met Jan erbij, kwam ik er gaandeweg achter waar het voor mij over moest gaan. De werkelijkheid vind ik niet interessant. Dat heb ik ook als ik een boek verfilm, dan doe ik dat ook niet letterlijk. Ik ben filmer en ik heb blijkbaar iets te zeggen. Dat had ik ook met Tirza, het is een prachtig geschreven boek. Maar als ik het letterlijk had verfilmd, was het een slechte film geworden. Ik heb keuzes gemaakt, dingen weggelaten, dingen toegevoegd, dat mag en levert wél een film op.

Was dit een moeilijke film om te maken?
Op een gegeven moment heb je zoveel research gedaan en dan denk je: dit moet erin en dit en op een gegeven moment gaat het nergens meer over. Wat is de rode draad, de dramatisch lijn, de ruggengraat. Daarvoor gebruik je materiaal uit de werkelijkheid en alles wat je erbij kunt verzinnen. Het is dus niet de waarheid die in deze film wordt verteld. Daar kun je me dus ook niet op afrekenen.

Bij Süskind zat u dichter op de waarheid.
Ja, maar hier gaat het ook niet om 100.000 vermoorde joden. Dat is toch iets anders. Tegelijkertijd is Süskind naar mijn smaak te conventioneel geworden. Ik had daar niet de ruimte om mijn fantasie de vrije loop te laten, laat staan iets als de opera van Rossini te gebruiken. De geschiedenis is in dat geval toch te beladen. Je kunt niet zeggen: Fuck de geschiedenis.

Dat durft u nu wel.
Omdat het wat anders is.

Als u zelf mag kiezen, wat vindt u dan uw beste film tot nu toe?
Als ik een film moet aanwijzen als best gelukt, dan kies ik Tirza. Een echte Vermeer neem ik nog niet mee in die keuze, daar heb ik nog te weinig afstand toe.

[/blendlebutton]

Lees ook