fsdfs

In gesprek met documentairemaker John Appel over Sprekend Nederland

· Door

Facebook Twitter WhatsApp

Met de documentaire Sprekend Nederland geeft John Appel een tijdsbeeld van ons land aan de hand van speeches. ‘Toespraken vertellen zoveel over het land en de tijd waarin we leven.’

Als ik Sprekend Nederland een hedendaagse Alleman noem, voel je je dan gevleid of gepikeerd? Ik snap de vergelijking en die klopt. In mijn film zit net als in Bert Haanstra’s film een fanfare, er varen bootjes op de Amstel, het hele zomerse gedoe komt overeen: het is gewoon Alleman. Met het verschil dat Haanstra’s film een tijdsbeeld geeft van toen, van 1963. In zijn film was twee seconden een donkere man te zien, op het strand. De enige allochtoon in een volkomen blank Nederland. Een beeld dat niet klopte met de werkelijkheid trouwens, want er waren toen al lang gastarbeiders. Ik heb er weleens over gedacht om echt een remake van zijn film te maken, letterlijk namaken, maar dan nu. Ik ben ervan teruggekomen. Want hoe kun je nog dezelfde verwondering hebben bij het op een afstandje bekijken van mensen? Dat stadium zijn we echt voorbij.

De gedragen voice-over die in Haanstra’s film zit, heb je ook weggelaten. Ja, een voice-over wilde ik echt niet. Hoewel ik op enig moment wel mijn twijfels had; een film die zichzelf vertelt, dat was toch een experiment, zou het lukken?

https://www.youtube.com/watch?v=s1bXymKA8eQ

In Sprekend Nederland toon je middels een caleidoscoop aan speeches de tijdgeest: van de speech van de wethouder bij de naturalisatieceremonie voor nieuwe Nederlanders, de maandelijkse toespraak van een voorman van Pegida tot de toespraak die koning Willem-Alexander houdt op zijn verjaardagsfeest dat hij viert met een groep Nederlanders die net als hij op 27 april jarig zijn. Waar zit ’m de moeilijkheid bij een film als deze? Er zitten geen hoofdpersonen in, of tenminste niet echt. Ik ben een paar keer bij gebeurtenissen waar ook een 100-jarige vrouw centraal staat of erbij is, maar dat is meer een rode draad. Normaliter introduceer je in een documentaire de hoofdpersoon of personen, je leert ze kennen en maakt iets met ze mee. In deze film moet je het doen met een sessie van een toespraak. Soms gaat het om de spreker, vaak zijn het de mensen eromheen op wie de aandacht ligt. Je gaat van het een naar het ander. Of het lukt om de aandacht vast te houden zonder dat er een nadrukkelijke link is tussen twee opeenvolgende scènes, dat was de uitdaging.

Je staat bekend als een filmmaker die veel tijd met je personages doorbrengt, ook zonder camera. Hoe was dat bij deze film? In dit geval was het alleen de 100-jarige, mevrouw Richardson en vooral haar familie die ik beter heb leren kennen. Ik heb haar drie keer gefilmd: eerst op haar verjaardag, toen bij het verjaardagsfeest van de koning en tenslotte op haar begrafenis, nog geen week later.

Waarom wilde je deze film nu maken? Ik heb in 2003 al een soortgelijke film gemaakt, die eveneens Sprekend Nederland heet. Het heeft eenzelfde principe, ook met toespraken. Die film was er in no time. Hij is ontroerend in zijn eenvoud, maar het is geen goede film geworden. Ik heb die film altijd opnieuw willen maken en wachtte op het moment tot ik meer context of een beter idee zou hebben. Toespraken fascineren me al sinds jaar en dag. Je kunt er met een heel antropologische blik naar kijken. Ze vertellen zoveel over het land en de tijd waarin we leven.

Heb je begrip voor iedere groep waar je bij was? Ik heb nooit het gevoel: hier wil ik niet bij zijn. Ik zie het als fenomeen. Pegida bijvoorbeeld zie ik als een groep mensen die elke maand hun ding doet. Bijna als een vereniging met een ritueel. Uiteraard sta ik niet achter wat ze zeggen, maar dat wil niet zeggen dat ik er niet bij wil zijn. Het enige verschil is: normaal zou ik er niet bij zijn. Op het moment dat ik hoor welke dingen ze scanderen heb ik de neiging om weg te lopen. Maar dat doe ik niet, want ik maak een film.

Je brak in 1999 door met André Hazes: Zij gelooft in mij. Je claim to fame. Die film heeft vele navolgers gehad, jijzelf hebt er niet voor gekozen om met hetzelfde soort films door te gaan. Ik ben nog heel vaak gevraagd om een film te maken ‘à la André Hazes’. Ik heb steeds geroepen dat je dat niet zomaar kopieert. Het hangt zo erg af van de persoon of hij of zij zich kwetsbaar kan opstellen voor de camera. Ik heb die persoon zelf nooit meer gevonden, maar ik ben er ook niet naar op zoek geweest. Er zijn veel pogingen gedaan om films à la Hazes te maken. Het blijkt moeilijker dan je denkt.

Opvallend is dat iedereen je naam kent, maar niet je oeuvre: de meeste mensen komen niet verder dan je André Hazes film. Als je zo’n ongelofelijke hit maakt, kom je er sowieso niet meer over heen. Die illusie heb ik niet en het hoeft ook niet. The Player bijvoorbeeld, daarvan wist ik dat het geen grote hit zou worden. Maar voor mij is het misschien wel mijn dierbaarste film.

Die film uit 2009 is een heel persoonlijke, eigenlijk auto­biografische film. Hij gaat over je vader, die gokker was. De meeste documentairemakers beginnen hun oeuvre met een persoonlijke film. Jij hebt twintig jaar gewacht voordat je deze film maakte. Wat was daar de reden voor? Het is misschien een beetje vergelijkbaar met die toespraken: bij mij duurt het vaak heel lang voordat ik een manier vindt die recht doet aan wat ik wil vertellen. Voor mij was The Player geen therapeutische film over het feit dat mijn vader dood was toen ik jong was. Ik wilde laten zien dat zijn levenshouding ook de mijne is, dat je dingen niet altijd van tevoren goed plant, dat je veel op zijn beloop laat, eigenlijk dat je gewoon gokt en risico’s neemt. Dat zat in zijn leven en dat zit in mijn leven. Het hele fenomeen van het nemen van risico’s als levenshouding, dat was bij mij zo ingedaald, dat ik toen pas besloot om die film over mijn vader te maken, lang na zijn dood en alter ego’s te gebruiken die staan voor wie hij was. Niemand in de film praat rechtstreeks over mijn vader, ze praten alleen maar over zichzelf en hoe ze zelf met het leven, hun onzekerheden en het gokken omgaan. Ik wilde voorbij het therapeutische van ‘mijn vader is dood en ik vind het zo erg’. Heel vaak moet een beginnende filmmaker nog iets verwerken voordat hij door kan. Voor mij was het geen verwerking.

Is er een verschil in wat je daarvoor en daarna hebt gemaakt?
Heel erg. The Player is een conceptuele film. Om een film te maken over je overleden vader en dan mensen aan het woord te laten die niet over hem, maar over zichzelf praten en als zijn alter ego dienen, dat is als idee een heel mooie vorm. Die meer conceptuele manier van denken, wat ook in Sprekend Nederland zit, dat zijn het soort films dat ik nu maak en wil maken. Ik zou nu niet meer zo snel een portret van André Hazes of wie dan ook maken. Dat is echt een gepasseerd station. Daarbij zou ik willen aantekenen dat het nooit om het concept moet gaan, ik bedoel dan het concept als lege huls. Ik moet er wel iets mee kunnen vertellen.

Ik zag onlangs Wrong Time, Wrong Place, je film over de aanslagen in Oslo en Utøya. Ook een duidelijk conceptuele film. Die film heb je in 2012 kort na de aanslagen gedraaid. Hoe kreeg je dat zo snel voor elkaar? Het idee was een film te maken over een ramp en dan onmiddellijk nadat er een ramp heeft plaatsgevonden naar de plek te gaan om te kijken in hoeverre toeval en het noodlot een rol spelen. Dat idee lag er al, daar had ik al geld voor gekregen.

Je wachtte alleen nog op een ramp? Ja. Dat klinkt een beetje gek. Toen gebeurde dit en stond ik voor de keuze: is dit een geschikte ramp voor wat ik wil vertellen? Ik besloot van wel. Vrij snel na die ramp ben ik ernaar toe gegaan en gaan filmen. Dat was moeilijk, alles was nog zo vers.

Wat doet het met je om zo’n film te maken? Ik heb nog nooit zo dicht bij zo’n groot verdriet van anderen gestaan. Ik heb zelfs mensen in de korte research ontmoet waarvan ik het verdriet te groot vond om ze te filmen. Dat vond ik onethisch. Ik moest niet alleen van buitenaf tegen het enorme leed van een ander aankijken, maar ik moest het gevoel hebben dat ik op een of andere manier toch nog wel in gesprek kon gaan met die mensen. Zoals met de Oegandese Ritah. Zij heeft het overleefd. Stond doodsangsten uit: ze verschool zich met anderen in een toilet en hoorde de schutter aan de andere kant van de deur. Maar het lukte haar om te reflecteren. Met de film wilde ik vertellen dat je je kunt wapenen, maar als het noodlot toeslaat, kun je niets doen.

Je lijkt gefascineerd door de dood. Veel van je films gaan er direct of indirect over. Waar komt dat vandaan? Toch echt wel omdat mijn beide ouders vroeg zijn overleden. Ik ben als kind sowieso veel geconfronteerd met doodgaan. Een van de eerste beelden die ik me kan herinneren was mijn opa die in zijn kist lag. Dat was ook meteen mijn eerste ontmoeting met hem.
De dood fascineert me, net als eenzaamheid. Ik herken dat altijd in mensen. Niet de eenzaamheid van ‘o, wat zielig’ maar in de kracht ervan. Mensen die dingen alleen doen, dat vind ik fascinerend. Het past ook bij mij. Ik ben niet eenzaam, maar ik kan heel goed dingen alleen doen. Einzelganger-achtig. En weemoed en ontroering – dat zijn ook toverwoorden. Ik moet ontroerd worden door iemand. Als ik dat niet word, en ik heb de vrije keuze voor een hoofdpersoon, dan heb ik de neiging om diegene niet te nemen

Waar zit die ontroering in? In hetgene dat niet wordt verteld, maar wat ik wel zie. Het zijn vaak niet heel vlotgebekte mensen die me ontroeren. Ik zie soms een verdriet bij iemand zonder dat het meteen op tafel ligt. Dat raakt me.

Probeer je die dan op tafel te krijgen? Ja. In een film wel. En als ik niet film ook.

Hou je contact met mensen als je gefilmd hebt? Ik hou contact met de mensen met wie ik ook tijdens het filmen een klik heb gehad. Niet met iedereen. Voor deze film, Sprekend Nederland, heb ik nog steeds contact met de familie Richardson, dat waren heel warme, leuke mensen, met wie het gelijk goed voelde.

Heb je veel vrienden? Zeker. Ik heb niet alleen filmvrienden hoor! Maar het is wel zo dat mijn werk een centrale plek inneemt in mijn leven en dat er niet altijd evenveel ruimte is voor andere zaken. Ik merk het al met mijn eigen kleine gezin, met mijn vrouw en dochter van 16 dat het maken van films en een regelmatig gezinsleven niet altijd even goed samen gaan. Ik ben heel vaak weg. Als ik bezig ben met een film, dan ben ik alleen beschikbaar voor die film. Ik ben niet het type dat af en toe een filmpje schiet en dan weer klaar is. Ik ben hierdoor niet naar elke schoolvoorstelling van mijn dochter geweest, ik heb af en toe een vakantie moeten onderbreken voor een opnamedag. Dat is het offer. Ik heb het er voor over. Mijn vrouw ook, anders waren we denk ik niet meer samen geweest.

Sprekend nederland

Première op zaterdag 29 september tijdens de 38ste editie van het Nederlandse Film Festival.

Lees ook