Het ongemak in Chocolate City verklaard

Hoe strippersfilm Chocolate City ragfijn laat zien hoe lust en het politiek correcte op heerlijk gespannen voet met elkaar staan.

Aan het eind van zijn show 2017 bouwt de onnavolgbare komiek Louis C.K. een grappenreeks rond de film Magic Mike (2012) van Steven Soderbergh, over een groep mannelijke strippers onder leiding van Channing Tatum en Matthew McConaughey. Elke keer dat de film op tv komt, vertelt Louis, vraagt hij zich af of hij durft te kijken. Want hij krijgt van die… gevóelens. Hij wordt wat warm in het gezicht, reageert daar vervolgens afwerend op. Dan komt zijn lievelingsstukje, waarin McConaughey met slepend zuidelijk accent de zaal opgeilt. En als daarna Channing Tatum zelfverzekerd strippend opkomt, is het hek van de dam: ‘Ik krijg geen stijve. Maar ik voel mijn piemel omslaan.’ Hij heeft Magic Mike nooit afgezien, want hij weet hoe het afloopt: ‘De film eindigt ermee dat ik gay ben’. En hij heeft niks tegen homo’s, maar hij wil niet ineens de nieuwe gay guy zijn. Niet op zijn 49ste.

De passage laat op een geweldige manier zien in wat voor hilarisch absurdistisch krachtenveld films als Magic Mike en, deze week op tv, Chocolate City (2015), een soort Magic Mike met een zwarte cast, zich begeven. Beide films duiken vol in de soft-erotiek – flinke delen van de film gaan op aan wellustige mannenchoreografieën. Dit soort erotiek gaat een hoogstpersoonlijke relatie aan met de kijker, gebaseerd op hoogstpersoonlijke seksuele voorkeuren – je valt wel of niet op mannen, wel of niet op die ene in de bijrol, of tot je eigen heteroseksuele schrik op de dommige blik van Channing Tatum.

Die individuele voorkeuren vormen een mijnenveld voor een heel ander aspect: het sociaal en/of maatschappelijk gewenste dat films aankleeft. Dat je bijvoorbeeld helemaal niet op Channing Tatum wilt vallen omdat je je schaamt om gay te zijn. Dat je het racistisch vindt om alleen op latino’s te vallen. Met andere woorden: Magic Mike en Chocolate City laten zien hoe lust en het politiek correcte op heerlijk gespannen voet met elkaar staan.

De hele bestaansreden van Chocolate City was zelfs dat er in maatschappelijke zin iets wrong aan Magic Mike: de cast was, op die latino na, uniform blank. En dát voor een Betere Film, van een progressieve regisseur als Soderbergh – opmerkelijk. Realisme kon voor die omissie geen argument zijn: mannelijke stripgroepen zijn over het algemeen samengesteld volgens een ver doorgevoerd voor-ieder-wat-wils-boyband-principe. Ook de marktleiders, de Chippendales, zorgen dat ze zeker één zwarte danser in hun midden hebben.

Het zette de zwarte regisseur/producent/schrijver Jean-Claude La Marre ertoe aan een zwartgecaste pastiche op Magic Mike te maken. Overigens was dat maar zéér ten dele om redenen van afro-amerikaanse empowerment – hij zag vooral een gat in de markt. Er is nu eenmaal een groot publiek dat zich graag verlustigt aan zwarte lichamelijkheid, was zijn redenering, en Magic Mike had dat publiek laten liggen. La Marre is dan ook een commercieel handige veelfilmer met een indrukwekkende reeks B-films op zijn cv.

Chocolate City past daarmee in de lange traditie van de blaxploitation, een in de jaren 70 bloeiend filmgenre waarbij van elk mainstreamsucces een snelle afro-amerikaanse variant werd gemaakt om óók het zwarte publiek uit te melken – Blacula, Black Shampoo, Black Caesar; films die ondanks hun lage budget soms erg geslaagd waren, vaak beroemd werden om hun geweldige muziek, ontegenzeglijk hebben bijgedragen aan het zwarte zelfbewustzijn en daarmee aan de zwarte emancipatie, maar ook de goedkope geur van commercieel cynisme aan zich hadden kleven. In tijden van Moonlight, Atlanta en Dear White People voelt Chocolate City daarmee een beetje als een oud lijk – ook omdat er, heel anders dan in Magic Mike, op inhoudelijk niveau wel érg weinig moeite is gedaan om er iets goeds van te maken.

Dat heeft ook een voordeel. Magic Mike wil een verhaal vertellen over de vernederende kanten van status, geldzucht en ambitie, en ruilt de aanvankelijk indrukwekkende stripscènes gaandeweg in voor het steeds meer laten zien van de lulligheid, lelijkheid en inwisselbaarheid ervan. Chocolate City daarentegen gaat, niet gehinderd door bijbedoelingen, een film lang vol voor de sexyness. Er wordt beter gedanst, en dat wordt effectiever in beeld gebracht. In de beginscène verwoordt de uitbater van de club (Michael Jai White) de enkelvoudige bedoelingen van de film: ‘You have seen Magic Mike, right? Now we’re gonna add some chocolate.’

Wat ons brengt bij het tweede ongemakkelijke aspect: het woord chocolate als omschrijving van een huidtype en, pars pro toto, de zich daarin bevindende bevolkingsgroep. Op zich geen inaccurate omschrijving, mits je op een West-Afrikaanse tint duidt – chocola heeft bovendien een zijdeglans die verrassend goed op een goedverzorgde huid lijkt. Ook staat de aanduiding ‘chocolate’ in een vrij overdachte traditie: begin jaren 70 noemden zwarte radiostations Washington DC ‘Chocolate City’, om aan te geven dat de zwarte minderheid in die stad een meerderheid was geworden. Met dezelfde emancipatoire lading werd Chocolate City in 1974 de titel van een album van de legendarische funkgroep Parliament. Met de sensuele kwaliteiten van chocola (denk aan die doordruipende Magnumreclames waarin vrouwen tergend langzaam in fluwelen cacaotonen bijten) ontwikkelde chocolate zich tot acclamatie van ‘sexy’ en ‘aantrekkelijk’. Waarmee het ook snel een beetje bedierf en wat ordinair werd ­­– in bijvoorbeeld de geweldige comedyserie Dear White People, standaardwerk over het hedendaags progressief-zwarte denken over ras en stereotyperingen, is het het foute vriendje dat zegt ‘We can’t let that sweet dark chocolate melt in the rain.’ Ieder zijn ding, natuurlijk, maar wat een cliché en ordinair wordt, is vanzelf ook een beetje denigrerend en stereotyperend. Dat zwarte acteurs in bijvoorbeeld reclames van oudsher bijna exclusief worden geassocieerd met exotische producten helpt ook niet erg.

Maar Chocolate City heeft met die bedenkingen geen enkel probleem, al weet ze heus wel welk terrein ze betreedt ­– ‘Sexy Chocolate’, de strippersnaam van de hoofdpersoon, is onderwerp van spot, als zijn broer opmerkt: je bent geeneens chocoladekleurig, eerder mokka-caramel. Het stereotiep dat alles wat ook maar een béétje Afrikaans is meteen chocola heet, is des te duidelijker. Evengoed melkt de film voluit de likwaardige kwaliteiten uit.

Inclusief de bijbetekenis van stereotype zwarte seksuele superioriteit. Lust is immers vaak juist gebaat bij het cultiveren van tegenstellingen – zwart-blank, man-vrouw, agressief-passief, sterk-zwak, dominant-onderdanig, politieman-arrestant. In Chippendalesachtige acts wordt bij die ene zwarte danser steevast óók nadrukkelijk met het stereotype gespeeld: kijk eens naar die kont, staat er dan in zijn biootje, en waarom zijn bijnaam ‘Boom’ is, daar komt u aan het eind van zijn act wel achter. Chocolate City houdt zich in dat opzicht nog verrassend in wat betreft de vermeende seksuele en anatomische superiotiteit van zwarte mannen; maar ook dat heeft een commerciele reden: La Marre wilde een film maken waar je ook je kinderen en oma mee naartoe kan nemen.

De gecultiveerde tegenstelling van het erotische speelveld heeft nog een extra ongemakkelijke subcategorie: achteloze homofobie. Zowel Magic Mike als Chocolate City besteden er een hele scène aan om duidelijk te maken dat de personages géén! homo! zijn, ook al zijn ze onmannelijk veel bezig met hun lichaam, dansen ze en bewegen ze zich voortdurend tussen ingeoliede seksegenoten. In Magic Mike ontstaat er verwarring als de zus van de hoofdpersoon een tas met diens geüniformeerde kostuums ziet; in Chocolate City als de hoofdpersoon vertelt dat hij werd benaderd in de mannen-wc – voor een baan, huh huh, niet voor dát, stel je voor. Heteromannen zijn panisch om voor homo te worden aangezien en dat stoot af, en het publiek van de dansers – zowel in de film als in de bioscoopzaal – bestaat uit vrouwen. Hun fantasie mag niet verstoord worden.

De gay panic in het politiek non-correcte terrein van de erotiek kreeg nog een geestig staartje bij Chocolate City. La Marre begon, aangespoord door het succes van zijn film, een rondtoerende liveshow met een aantal zwarte strippers, en een aanhangende realityshow op de zender Lifetime. Viceca A. Fox, actrice in de film én presentatrice van de realityshow, was te gast in het radioprogramma Breakfast Club, en kreeg de vraag of haar dansers ook zouden optreden voor mannen. ‘Hell no!’, was haar spontane uitroep. Homofobe rel geboren, La Marre distantieerde zich, ruzie alom, einde show.

Beetje zonde wel – Fox is evident voorvechter van homorechten, dus hier overschaduwde overspannen politieke correctheid uit het dagelijks leven het veel brutere, vrijere universum van de lol en de lust. Net als comedy is seks een terrein waarop, naar ieders believen, de raardere, schurender, incorrecter kanten van de menselijk psyche kunnen worden verkend ­– misschien juist om, net als comedy dat doet, ons te wijzen op de absurdere, onlogischer kanten daarvan. Wat de skit van Louis C.K, Magic Mike en Chocolate City laten zien is hoe en waarom de mens verschillen cultiveert, en vervolgens hilarisch en onnodig verstrikt raakt in de onbedwingbare neiging het ene beter te vinden dan het ander. Is zwart beter dan wit? Is gay slechter straight? Natuurlijk niet – alleen in je eenzamere, genantere momenten voor de tv, kijkend naar Magic Mike, betrap je je op dat soort gedachten. Maar juist als we zo in ons hemd staan, is des te duidelijker: in onze verschillen zijn we allemaal elkaars gelijke.

Chocolate City, maandag 9 oktober, RTL 8, 20:30 uur
Chocolate City: Vegas Strip (2017) staat nu op Netflix