Filmode: The Breakfast Club

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Reconstructie: hoe The Breakfast Club werd opgetild door een reportage in een Amerikaans tijdschrift en uitgroeide tot vaandeldrager der onbenoemde pubergevoelens.

Reconstructie: hoe The Breakfast Club werd opgetild door een reportage in een Amerikaans tijdschrift en uitgroeide tot vaandeldrager der onbenoemde pubergevoelens.
Voor een film met zo’n legendarische status als The Breakfast Club is het echt heel, heel onopmerkelijk wat erin gebeurt. Vijf pubers moeten voor straf een zaterdag op school doorbrengen. Ze kennen elkaar niet en zijn totaal verschillend, volgens het instructieboekje van de Amerikaanse middelbare school: een bètanerd, een populair barbieprinsesje, een rebel, een sportjongen en een meisje dat heel erg alternatief neurotisch doet met massa’s eyeliner en allemaal haar in haar gezicht. Ze overwinnen hun verschillen, leren elkaar beter kennen en gaan als vrienden, of zelfs meer, uit elkaar. Vuist in de lucht. Einde.

Bij zo’n spaarzaam plot en dito locatiegebruik wil nog weleens gezegd worden: less is more, de kwaliteit zit hem in de sobere eenvoud. The Breakfast Club ging zo de allertijdenlijstjes in als een baanbrekend realistische, ingehouden kijk op het gestreste leven der pubers. Inderdaad: tot die tijd gingen tienerfilms voornamelijk op dolkomische manier over gevaarlijke jeugdbendes of bierzuipende nymfomanen, al dan niet in onthullende badkleding. The Breakfast Club was in die zin een kalme verademing: vijf kids die, bijna geheel opgenomen in één ruimte, geestig en inzichtelijk praten over wat hen frustreert.

Je cookie-instellingen zorgen ervoor dat je dit deel van de website niet kunt zien.

Wijzig hier je cookie-instellingen

Maar zó goed doet die film dat ook weer niet. Schaamte is een mooi gevonden thema: bij pubers draait bijkans alles daarom. Dus zetten de personages elkaar onder druk om uit te vinden of ze nog maagd zijn, of generen ze zich voor hun afkomst. Maar enorm uitglijden doet de film daarin ook – de nerd (Anthony Michael Hall) bekent dat hij zich zó schaamt dat hij voor handwerken een onvoldoende had, dat hij een pistool in zijn locker bewaart om zichzelf van kant te maken. Gelooft hij het zelf?

Ook andere thematiek eindigt in infantiel geklieder. Veel van de stress in The Breakfast Club draait om die onmogelijke paradox dat je én bij de groep wilt horen én uniek wilt zijn. Maar de plotuitkomst voor het neurotische eyelinermeisje (Ally Sheedy) klinkt zo vals als een verwend kind dat op een piano hamert. Ze laat zich een make-over bezorgen door het Barbie prinsesje (Molly Ringwald), waarna ze er uit ziet als oude DiDi-folder: conformistisch, kantenboordjes-tuttig – en ineens, out of the blue, geheel naar de smaak van de sportjongen (Emilio Estevez) die binnen enkele minuten tongend verliefd is.

En ook dat van die druk van de ouders had indringende scènes op kunnen leveren, ware het niet dat het script de acteurs vraagt om er alleen maar de godganse tijd over te zeiken, in plaats van dat krachtig duidelijk wordt wat de impact nou is. De arme rebel (Judd Nelson) moet naspelen hoe zijn vader hem alle hoeken van de kamer laat zien. Het lijkt op een matige auditie in Fame.

The Breakfast Club kreeg dan ook, anders dat Wikipedia je wil doen geloven, helemaal niet zulke jubelende recensies bij verschijnen. Twee, drie sterren, met heel wat kanttekeningen. Zelf zag ik hem ergens in augustus of september 1985 als 15-jarige jongen in een Amsterdamse bioscoop, in een op zich erg geschikte date movie-situatie met een vriendinnetje waar ik verliefd op hoopte te worden, en ik kan me het afrondende gevoel nog goed herinneren: ik was mild gegrepen. Niet minder, niet meer – en tóch hing er ook toen al, ook bij mij, een gevoel in de lucht dat deze film iets bijzonders was.

Dat had een beetje te maken met het Simple Minds-nummer, ‘Don’t you forget about me’, tijdens de op- en aftiteling van The Breakfast Club te horen. Het nummer, overigens niet geschreven door de Simple Minds maar door ervaren soundtrackleverancier Keith Forsey (Flashdance!) heeft een effectief soort melancholie over zich, en combineert puberdramatiek met altpop-coolness, wat het voor een heel breed publiek geschikt maakt – voor de bioscooprelease was het al weken niet uit de top-40 weg te branden.

Maar belangrijker nog werd een legendarisch artikel dat was verschenen in New York Magazine, 10 juni 1985. Journalist David Blum was naar LA afgereisd voor een interview met Emilio Estevez, maar gaandeweg de gesprekken werd hij uitgenodigd om met diens vriendenkring mee uit te gaan. Estevez, zoon van Martin Sheen (Apocalypse Now), broer van Charlie Sheen en in die zin sowieso al ‘Hollywood royalty’, was in die jaren een aanstormend filmtalent, met schrijf- en regieplannen en als acteur een flink aantal frisse films op zijn naam. Blum observeerde hem in een magnifieke reportage (als er een Top 5 Beste Entertainmenstukken Ooit bestaat, staat dit exemplaar daar zeker in) als het middelpunt van een Ray Ban Wayfarer-dragende, razendknappe, draaikolken van meisjes om zich heen verzamelende groep succesvolle jonge acteurs, onder wie ook Tom Cruise, Sean Penn en Estevez’ The Breakfast Club-tegenspeler Judd Nelson. De schitterende scènes buitelen over elkaar heen: Estevez die, miljonair als hij al is, gratis kaartjes bioscoopkaartjes probeert te versieren (‘weet u wel wie ik ben’); Estevez en Nelson die schrijver Jay McInerney, van Bright Lights, Big City, de heetste roman van ’85, meenemen op clubtocht omdat ze de rechten op zijn boek willen, waarna ze hem halverwege in een club vergeten; Judd Nelson die een dansvloer op springt, in zijn eentje staat te rocken ten overstaan van een speaker, merkt dat niemand naar hem kijkt en begint te zeuren dat dit een waardeloze club is. Een prachtig document van een stel extreem hippe, ambitieuze, vrolijke jonge sterren, die er ontluisterend functionele en lege vriendschappen op na houden, zich als blagen (‘brats’) gedragen en elkaar louter op hun successen de maat nemen. Geld, status en cocaïne – het holst van de jaren 80. Als variant op The Rat Pack, de beroemde sterrenvriendengroep in de jaren 60 rond Frank Sinatra, Dean Martin en Sammy Davis jr., doopte Blum de eightiesjongens The Brat Pack.

Zelden wist een entertainmentstuk de tijdgeest zo goed te vangen. Zó goed, dat de Brat Pack binnen enkele weken een wereldwijd begrip werd, inclusief het air van succes, rijkdom, hipheid en rebels gevaar dat om de groep heen hing – waar, als teken van de slagkracht van het begrip, ook generatie- en filmgenoten als Ringwald en Sheedy toe werden gerekend, al kwamen ze in het stuk niet voor. Niet dat iemand hier New York Magazine las, maar ook in Nederland werd The Breakfast Club opgetild door die golf van opwinding.

Tegelijk betekende het stuk het einde van de vriendengroep. Ze voelden zich te kijk gezet, durfden niet meer te vaak met elkaar gezien te worden. Ze gingen ieder huns weegs, de een werd megaster (Cruise), de ander broodacteur (Sheedy), een derde eeuwig veelbelovend (Estevez). Zeker als je het stuk nu leest, hangt er een zwaar soort weemoed overheen, van een glitterexplosie die in de lucht hing maar nooit zou komen, van vervlogen glamour, van een zich nooit voltrokken glorieuze toekomst.

Precies daarin ligt een mooie parallel met The Breakfast Club. Als een proto-instagramvriendenclubfoto lijkt alles in de film niet zozeer gericht op het gebeuren zelf, maar op het bouwen van een herinnering. De manier alleen al waarop regisseur John Hughes, meester van de jaren 80-tienerfilm, alles in beeld brengt: strakke, gestileerde kaders, vaak in een rechte hoek op de actie filmend, zodat de jongens en meisjes steeds zo cool mogelijk in een fotolijstje lijken te bewegen. Rijkelijk overgoten, zeker voor die tijd, met modieuze synthesizerrock. Met de songtekst van de lead track als sleutel: ‘Don’t you forget about me, don’t don’t don’t don’t. Will you recognize me? Call my name, or walk on by?’

Ergens tegen het eind van de film, als de vijf vreemden in hetzelfde schuitje een innige band hebben gesmeed, met de schoolleiding als hun gezamenlijke vijand en wederzijdse confessies als bindmiddel, als ze samen hebben gedanst, gelachen, gehuild, brengt de nerd van het groepje de olifant in de kamer ter sprake: zullen jullie ook straks, als we weer in het gewone schoolleven opgaan, mijn vriend zijn?

Dat is waar The Breakfast Club, geruggesteund door een effectief popnummer en een briljant getroffen tijdgeestreportage, helemaal raak schiet. Dat onbenoemde gevoel dat een vriendschap voor eeuwig lijkt, terwijl je tegelijkertijd weet dat het niet zo zal zijn. Een film als een herinnering aan een mooie tijd die voorgoed vervlogen is. In die zin een film die pas begint ná de aftiteling. En daarom blijft hij zo goed hangen.

The Breakfast Club, zondag 10 juli, Net 5, 20:00 uur

Lees ook