Dagboek: Floortje Dessing in Syrië

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Floortje Dessing reisde tien dagen door misschien wel het gevaarlijkste land ter wereld: Syrië. 'Nog nooit heb ik zo veel puin bij elkaar gezien'. Een verslag uit eerste hand.

Floortje Dessing reisde tien dagen door misschien wel het gevaarlijkste land ter wereld: Syrië. 'Nog nooit heb ik zo veel puin bij elkaar gezien'. Een verslag uit eerste hand.
 

April 2016
Op een vroege maandagmorgen in april stap ik het kantoor van mijn baas binnen. ‘Ik wil naar Syrië. Een documentaire maken over de Syriërs zelf. Over hoe het is om te leven in een land waar bijna alles wat je kende is veranderd, of verdwenen. Leidraad is mijn reis die ik acht jaar geleden maakte voor 3 op reis en nu wil ik terug naar de plaatsen die ik indertijd bezocht heb, om te kijken wat er van over is en hoe het gaat met de mensen die ik indertijd ontmoette.’

Ik heb maar vier zinnen nodig om hem te overtuigen.
‘Maar hoe veilig is dat dan?’ vraagt hij.
‘Tja’, antwoord ik, ‘er leven in dat land nog steeds meer dan achttien miljoen mensen, die 365 dagen per jaar in deze situatie moeten leven. Dan lijkt het me sterk dat ik niet een dag of tien daar naar toe kan.’

Het plan om naar Syrië te gaan zat al een tijd in mijn hoofd. Ook ik lees telkens al die verschrikkelijke verhalen over deze nietsontziende burgeroorlog, en de daaropvolgende vluchtelingenstroom die op gang is gekomen naar onder meer Europa. Met verwondering hoor ik ook alle verhalen over Syriërs in Nederland en de polarisatie die ze hebben veroorzaakt in de samenleving. Enerzijds zijn er mensen die vluchtelingen opvangen als ze met hun bootjes arriveren in Griekenland, en anderzijds zijn er mensen die protesteren tegen de vluchtelingen die hun dorp zouden komen overspoelen, waardoor hun dochters niet meer over straat zouden kunnen. Waarbij de Syriër steeds verder een ‘begrip’ wordt, en niet meer een inwoner van een land dat net zo divers is als een willekeurig Europees land. In zo weinig van die verhalen herken ik het Syrië zoals ik het acht jaar geleden zag, en daarom wil ik terug: om met eigen ogen te zien hoe het land er aan toe is, en vooral de mensen die er nog wonen.

[blendlebutton]
In de maanden daarna weten we een visum te bemachtigen via de nog enige in functie zijnde Syrische ambassade in Brussel. Zes weken duurt de procedure, waarbij we uitgebreid gecheckt worden door de Syrische overheid. Ook volg ik een veiligheidscursus, gegeven door een Engelse oud-commando die me alles leert over het afbinden van armen en benen, het schuilen in je badkuip bij raketaanvallen en nog veel meer zaken waar ik me nooit mee bezig heb gehouden. Je kan dus zeggen dat we goed beslagen ten ijs komen.

Via Midden-Oosten-correspondent Sander van der Hoorn krijg ik veel nuttige info over Syrië. Ook brengt hij me in contact met Joseph, een Syrische man van rond de 45 jaar die ooit champignons kweekte en goudsmid was, maar die sinds een paar jaar zijn brood verdient met het begeleiden van internationale journalisten. En met Daisy, een bijzonder professionele producer die vanuit Libanon alles coördineert.

25 juli 2016
Mijn keel is kurkdroog maar ik probeer zo rustig mogelijk antwoord te geven op de vraag van de Syrische douanier die voor me staat.
No, I am not bringing in any illegal goods. Just my clothes, some gifts and filming equipment.’
De man kijkt me onderzoekend aan en opent mijn koffer voor een vluchtige inspectie. Vervolgens wordt de cameratas, plus mijn productiekoffertje met kleinere zaken, zoals een DV-camera en satelliettelefoon, aan een nauwkeurigere inspectie onderworpen. Ik kijk naar zijn handelingen en voel me licht in mijn hoofd. Ik weet dat ik niets illegaals bij me heb, maar opeens is er het besef dat ik echt hier op de grens van Libanon en Syrië sta, en dat ik mijn best aan het doen ben om Syrië binnen te komen. Een land waar al meer dan vijf jaar een allesverwoestende burgeroorlog woedt die aan bijna een half miljoen mensen het leven heeft gekost. Een afgrijselijk aantal, in een afgrijselijke oorlog. En de grens van dat land ga ik nu vrijwillig over. Waarom wil ik dit in godsnaam? Al ben ik rotsvast in mijn overtuiging om te gaan, toch worden mijn benen slap op het moment dat ik zie dat onze paspoorten worden gestempeld en ik hoor dat we de tassen weer in de auto mogen laden, en we het land eindelijk mogen binnenrijden.

Naast me zit Joseph. Nu al besef ik dat je geen betere gids bij je kunt hebben dan hij, want Joseph kent alles en iedereen: van de militairen bij de talloze checkpoints tot het mannetje die ondanks de grote schaarste toch nog vijftig liter benzine kan regelen. We rijden in een onopvallende Peugeot zonder beveiligers of bewapening: dat zou alleen maar problemen kunnen veroorzaken.

Achter in de auto zit Rachid, een rustige, betrouwbare cameraman die ik eigenlijk maar een keer eerder ontmoet heb maar die, door zijn werk voor de NOS en zijn gedegen ervaring in oorlogsgebieden, heel geschikt is om deze reis mee te maken.

Als we op de snelweg naar de Syrische hoofdstad Damascus zitten, nemen we ons voor om diezelfde middag te beginnen met draaien. Ik heb hier zo veel voor gedaan, en ik wil het programma zo ontzettend graag maken, dus ik zou blij moeten zijn. Maar waarom voel ik me dan zo beroerd en wil ik het liefst direct omdraaien en zo snel mogelijk terugrijden naar de veilige warmte van Libanon?

Maar eenmaal in Damascus gebeurt iets wonderlijks: zodra ik uit de auto stap, is het bange gevoel in mijn lijf op slag verdwenen. Ik kijk rond en zie druk toeterende taxichauffeurs die zich ergeren aan de dagelijkse file op de belangrijkste doorgaande weg van de stad, kleine karretjes waar je voor twintig cent een bekertje versgeperste jus d’orange kan kopen, goed geklede vrouwen die met hun kinderen in het park zitten en met elkaar kletsen, en drukbezochte telefoonwinkels met advertenties op de ramen voor iPhones en Samsung-toestellen. Dit is zo niet wat ik verwachtte. Maar het dagelijkse leven blijkt in Damascus gewoon door te gaan, ondanks het feit dat er op diverse plekken in de stad nog steeds gevechten zijn met de oppositie.

Die nacht zit ik op het balkon van mijn hotel en kijk naar de verlichte stad onder me. In de verte hoor ik de doffe klappen van de raketten die worden afgevuurd op de belegerde gebieden, en recht onder me zitten twee militairen voor een kazerne een sigaret te roken, met boven zich een gigantisch billboard met daarop president Assad – in gevechtstenue en met een spiegelende pilotenbril – die vastberaden voor zich uit kijkt.

26 juli 2016
In de dagen die volgen, proberen we zo veel mogelijk te draaien in de korte tijd die we hebben. We filmen de moskee in Damascus, vinden een Nederlandse die nog in de stad woont, gaan op zoek naar de tijgers die we acht jaar geleden in een vrachtwagen aan de grens zagen staan op weg naar de dierentuin van Damascus, bezoeken het klooster van vader Paolo in de bergen om te kijken of hij er nog is, rijden naar Homs om de plek te bezoeken waar de Nederlandse Pater Frans van der Lugt is vermoord, beklimmen de trappen van het beroemde kruisvaarderskasteel Krak de Chevallier en rijden dwars door de woestijn, waar IS nog steeds een groot gevaar vormt, richting het deels verwoeste Palmyra.

De dagen vliegen voorbij en elke dag weer verbaas ik me over het land: over hoeveel veerkracht de mensen hier hebben, over de vele initiatieven om het leven weer leefbaar te maken en over de vele mensen die me vertellen hier in Syrië hun toekomst te zien, omdat dit toch het land is waar hun roots liggen. ‘Liever leven in een kapotte stad met herinneringen, dan in een nieuwe land zonder herinneringen’, zoals een jonge Syriër het verwoordt in een net geopend café in het verwoeste hart van de stad Homs.

Eén ding wil maar niet wennen: de aanblik van de immense verwoesting. Nog nooit heb ik zo veel puin bij elkaar gezien, zo veel huizen die zijn veranderd in skeletten, en zo veel straten waar het gras door het asfalt groeit omdat niemand er meer kan en wil wonen. Hoe is het mogelijk dat mensen in staat zijn om zo verschrikkelijk veel te vernietigen? Ik kan er met mijn verstand niet bij.

4 augustus 2016
Joseph neuriet mee met een Libanees nummer op de radio over onbeantwoorde liefdes terwijl ik uit het raampje kijk naar het droge hete landschap dat aan me voorbij trekt. Op de achterbank ligt Rachid te slapen: tien dagen ononderbroken draaien bij temperaturen van gemiddeld 42 graden hebben hem behoorlijk gesloopt.

Ik check nog een keer of de harddisk met al het geschoten materiaal veilig in het achterste vak van mijn rugzakje zit. Dan leun ik achterover en speel ik in mijn hoofd nogmaals de film af die ik de afgelopen dagen aan me voorbij heb zien trekken.

Joseph zet de radio uit en parkeert de auto naast het douanegebouw. We stappen uit en laten onze paspoorten afstempelen bij een klein loket. Als we even later de grenspost achter ons laten, spuugt mijn telefoon in een keer een stroom berichtjes uit van vrienden en familie. Ik verlang er naar om weer naar huis te gaan, maar had ook zo nog een maand willen blijven om meer verhalen te filmen. Heel dubbel: precies wat Syrië ook is. Het land is een puinhoop, waar de meest vreselijke misdaden worden begaan door extremisten, die er alles voor over hebben om er zo veel mogelijk te verwoesten. Maar het is ook een land waar mensen er nog steeds iets van proberen te maken, hun kinderen ’s morgens naar school brengen, trouwfeesten vieren op de bovenste verdieping van het grootste hotel waarbij gefeest wordt alsof er geen morgen is, en het land waar ze je meteen een kan limonade en een schaal koekjes aanbieden als je onaangekondigd langskomt.

Ik kijk nog een keer in de zijspiegel naar de grenspost die uit het zicht verdwijnt en pak mijn telefoon om mijn berichten te lezen. Nog even en ik ben weer thuis.

Floortje terug naar Syrië, donderdag 6 oktober, NPO1, 22:15 uur

[/blendlebutton]