Malherbe

Annet Malherbe: een carrière in woord en beeld

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Van Hertejoch Zanker tot de nieuwe dramaserie Zuidas.

1983 – Hertejoch Zanker
Dit was mijn afstudeerproject op de toneelschool. Ik was al met Alex (van Warmerdam) en de muzikanten van zijn gezelschap Orkator verzorgden de muziek, maar Hertejoch Zanker was mijn verzinsel. Trots ben ik er niet per se op. Trots ben ik als ik iets doe dat ik niet had verwacht. Ik was een schatje nog toen. De videokunstenaar Jaap Drupsteen maakte een registratie, die in 1983 op tv is vertoond. Ik ben trouwens niet afgestudeerd en heb geen diploma van de Toneelschool. Ik had nog een scriptie moeten schrijven en daar had ik tijd voor noch zin in. Tegenwoordig is dat afstuderen een heel event. Als je toen klaar was, haalde je tussen neus en lippen door je diploma even op. Maar die kreeg ik dus niet; ik ben er na vier jaar geruisloos uitgedreven.


1980-1984 – Toneelgroep Baal
Na de toneelschool begon ik bij Baal en speelde mee in Leedvermaak (1982) van Judith Herzberg. Ik was 24. Het was een indrukwekkend stuk, over een zwaar onderwerp – tweede generatie joden – maar toch had het een prettige lichtheid. Dat kwam ook door de werkwijze van Judith die er bij zat als we improviseerden en daar dan weer mee aan de slag ging. We speelden het in Frascati in Amsterdam, waar het publiek op het podium zat en wij in de loges speelden. Wat ik zo leuk vond bij Baal was de verhouding muziek/theater. Ik weet nog dat ik voor de eerste keer met een liveband op het toneel stond, dat was zo’n moment van ontwaken: ‘Dit is wat ik wil, precies dit.’ Ik heb uiteindelijk vier jaar bij Baal gezeten. En ook al waren het de nadagen van het gezelschap, we hebben mooie dingen gemaakt.

1986 – Abel
Mensen denken dat Alex en ik elkaar op de set van Abel hebben ontmoet, maar we hadden al samen een kind toen. Het was voor allebei ons filmdebuut, al was het voor hem spannender dan voor mij: hij had het scenario geschreven, regisseerde en speelde de hoofdrol. Ik speel Zus, die bij een peepshow werkt. Ik heb daarna in bijna al zijn film gespeeld. De rolverdeling is van begin af aan duidelijk geweest: hij is de regisseur, ik ben de actrice. Hij weet wat ik kan, vraagt veel en gaat alles behalve voorzichtig met me om. Makkelijk is het nooit, maar het werkt. Al 38 jaar en zeven films.



1992 – De Noorderlingen

Als je aan een film of een stuk of rol werkt, dan moet het je na aan het hart liggen, anders moet je het sowieso niet doen. Dus de vraag welke van Alex’ films me het dierbaarst is, vind ik moeilijk te beantwoorden. Maar als ik er dan toch een moet kiezen, dan is het De Noorderlingen. Dat was een heel leuke film om te doen. Het was voor het eerst dat we buiten de studio werkten. De film schetst heel mooi de burgerlijkheid van een nieuwbouwwijk in de jaren 60. Typisch Hollands, maar met een twist.

1993 – Mus
In Mus speel ik een alleenstaande bijstandsmoeder met twee kinderen, twee jongens, net als ik in het echt heb. Ik werd een beetje hun moeder, ook buiten de set om. Olivier Tuinier speelde een van de twee. Dat was een briljant kind-acteur. Hij was heel druk en ongefocust, tot het moment dat er actie werd geroepen en dan precies deed wat de regisseur, Ben Sombogaart hem vroeg. Die jongen was echt een natuurtalent. Het leuke aan Mus was dat het verhaal zo realistisch was, voor mij was dat ook leuk om een keer te doen.

1994 – Reunie
Reunie, zonder De, en zonder trema, was de titel van de theatervoorstelling die we speelden in de Amsterdamse Balie tijdens het WK voetbal in 1994. Ik denk dat ik nimmer harder heb gelachen dan tijdens de twee weken dat we repeteerden. Met ‘we’ bedoel ik Jacqueline Blom, Marlies Heuer, Babette Mulder, Truus te Selle en mijzelf. We speelden voetbalvrouwen die na twintig jaar terugkijken op de dramatische afloop van het WK ’74. Ik speel de plat Amsterdams pratende Maya Suurbier. Het stuk was zo goed geschreven, door Leopold Witte en Johan Timmers en op de een of andere manier was de chemie perfect. Later heeft Theo van Gogh een tv-bewerking gemaakt, maar het stuk was beter.

1995 – Debiteuren/Crediteuren
Op dinsdag belden ze of ik vanaf woensdag juffrouw Jannie zou kunnen spelen. ‘Dat gaat wel lukken,’ zei ik. Ik kende Kees Prins, Michiel Romeyn en Herman Koch al zo lang. Ze wisten dat ik niet bang ben om er lelijk uit te zien, of om risico’s te nemen. Ook hier weer hebben we zo veel plezier gehad tijdens het maken. Privé ging het destijds niet zo goed met me, en dat zie je op een bepaalde manier terug in het personage, dat gebogen en een beetje stil van alles over zich heen laat komen. Het maakproces was interessant. We kwamen een dag van tevoren bij elkaar en kozen dan een thema. Daar gingen we over praten, we improviseerden een beetje. Er zat dan nog heel veel ruis bij, maar aan het einde van de dag hadden we dan 10 tot 15 steekwoorden. Die gaven we aan Ellen Jens, de regisseur. De volgende dag namen we het op, met vier camera’s. Alles stond er in een keer op. Behalve als er een decor om ging, of als we het echt niet meer konden houden van het lachen. Dan deden we het nog een keer over.

2005-2007 – Gooische Vrouwen
Ook dat heb ik met heel veel plezier gedaan – tot ik het niet meer leuk vond. Dat heb ik eigenlijk altijd: ik doe iets vol overgave en dan opeens heb ik er geen zin meer in en wil ik er gelijk mee stoppen. Mijn vader had dat ook. Ik word dan letterlijk niet goed. Ik weet niet precies waar het hem in zit, ik denk in de routine, de herhaling. Opeens kon ik die Willemijn niet meer uitstaan: ik zag niet meer de rol, ik zag mezelf in de rol. Ik moest echt stoppen. Maar dat had niets met Gooische vrouwen te maken. The sky was the limit, als actrice kon je er veel in kwijt, de collega’s waren hartstikke leuk, we draaiden vier maanden en de rest van het jaar kon ik doen wat ik wilde. Achteraf denk ik dat ik best nog wel even door had kunnen gaan. Maar dat was dus achteraf hè.

2010 – Foeksia de miniheks
Fysiek een zware productie. Het kostuum dat ik droeg, woog tien kilo. Het was bloedheet. Als we ’s ochtends op de hei draaiden, zoog dat hele kostuum zich vol met water en dat was niet alleen dauw.
2012 – Moeder, ik wil bij de revue Ook weer leuk om te doen, maar op een bepaalde manier ook kortademig. Waar ik vooral aan moest wennen is dat we nooit chronologisch draaiden. Dat doe je bij film natuurlijk ook niet, maar hier was het wel heel erg. Als we op een bepaalde locatie waren, draaiden we gelijk maar alle scènes van aflevering 1, 2 en 3. Op een gegeven moment had ik geen idee meer waar ik was. Het is een wonder dat het nog zo is geworden, want als actrice merkte ik toch dat ik een bepaald soort voorbehoud had.
Uiteindelijk, hoe leuk ik tv en film ook vind, ligt mijn hart toch bij het theater. De interactie met het publiek, die toch maar weer op de fiets is gesprongen en is gekomen om te komen kijken, dat is zoiets moois. Publiek is een speler, het ademt, en de zenuwen als je op moet – dat gevoel is toch iets onverslaanbaars.

2013 – Borgman
Met Borgman gingen we naar Cannes. Het was voor het eerst in 37 jaar dat er een Nederlandse film in de competitie draaide. Cannes is een regisseursfestival, alles draait er om de films en zijn makers. Ik herinner me de enorme rode loper waar we overheen moesten. Je mag zelf de muziek bepalen, dat was bij ons Thelonious Monk en daar liepen we, langs een haag van pers en dan de trap op – eerst de regisseur, toen wij – de zaal in waar 2000 mensen zaten die opstonden en begonnen te applaudisseren. Het was ongelooflijk opwindend, feestelijk, met al die prachtige jurken. De film deed het goed, het is ook een goed gelukte film natuurlijk.

2014 – Aaf
Voor Aaf, dat een remake moest worden van https://delagarde.nl/terugkeer-van-roseanne-enorm-goed-bekeken/, werd ik gevraagd toen ik nog heel dik was. Ik zei dat ik een maagverkleining zou ondergaan en zou gaan afvallen, maar ze wilden toch met mij werken. Ik had nog nooit een sitcom gedaan en eigenlijk vond ik het heel leuk: op maandag kreeg je het script. De volgende dag gingen we de vloer op en repeteerden we, op donderdag kwam de tv-ploeg erbij, op vrijdag deden we ’s middags de generale repetitie en ’s avonds namen we het dan op, met publiek. Op vrijdagavond 22:00 uur gooi je het script weg en op maandag begint het weer opnieuw. Het was het eerste werk dat ik met mijn ‘nieuwe’ lichaam deed. Ik moest er even aan wennen, opeens zag ik eruit als iedereen. Ik was natuurlijk altijd de enige dikzak tussen de actrices van mijn leeftijd en mijn lichaam had wel altijd voor me gewerkt. Ik heb mijn dikke lichaam ook nooit gehaat. Het is wel dat ik nu letterlijk lichter door het leven ga. En voor mijn gezondheid is het beter.

2018 – Zuidas
Als ik ergens niet bekend mee ben, dan is het met de advocatuur. Het is een wereld die zich zover buiten mijn comfortzone bevindt, dat het echt een uitdaging was om me de rol eigen te maken. Maar nu ik het personage in de vingers heb, hoop ik zo dat er nog een vervolg komt, want advocaat Meijer, van advocatenkantoor Van de Sande Grinten Meijer is fascinerend. Slecht tot op het bot is ze, een vrouw die alleen maar leeft voor de zaak en het geld. Ze heeft een dochter van wie ze vervreemd is. Slechte personages spelen is voor een acteur altijd leuker – of nou ja, bijna altijd: de held spelen is het allerleukste, maar daar kom ik op mijn leeftijd niet meer voor in aanmerking. Zoals gezegd was het niet mijn wereld, dus alleen al die teksten geloofwaardig uit mijn mond krijgen, was een hele opgave. Van tevoren had ik bedacht hoe ik eruit wilde zien. Het leek me goed om een grijze lok te hebben in mijn haar en ik ben naar een nagelstudio gegaan om te kijken welke kleur de meeste powervrouwen voor hun nagels kiezen. Dat blijkt bordeauxrood, maar dat is voor de continuïteit een hopeloze kleur, ik heb voor parelmoer gekozen – die stond op twee. Ik doe dat vaak, een personage van buiten naar binnen opbouwen. Eerst het uiterlijk, dan volgt de rest vanzelf. Zo werkt het tenminste bij mij.

Lees ook