Zomerbio: Yves Montand (Z)

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

De hele zomer leest De Lagarde de beste en opmerkelijkste filmbiografieën. Aflevering 7: Yves Montand ten tijde van Z.

De hele zomer leest De Lagarde de beste en opmerkelijkste filmbiografieën. Aflevering 7: Yves Montand ten tijde van Z.
1968 was een goed jaar voor een politieke film. De Praagse Lente hield de gemoederen bezig en Yves Montand had in mei nog vanaf zijn balkon op de zesde verdieping aan de Place Dauphine staan kijken naar het studentenoproer beneden. Het traangas prikte in zijn ogen. Twee maanden na ‘les évenéments’ in Parijs vloog Montand naar Algiers voor de opnamen van de eerste politieke film die hij met regisseur Kostantin Gavras, filmnaam Costa-Gavras zou maken: Z. Over de in de doofpot gestopte moord op de linkse Griekse politicus Lambrakis. Ook zo actueel als wat. In Griekenland hadden de kolonels de macht gegrepen. Montand nam de rol van Lambrakis op zich. Hij stemde er met liefde mee in het symbool van de cinema engagé van Costa-Gavras te worden. Later zou hij ook nog L’aveu en Etat de siège met hem filmen.
[blendlebutton]

Een politieke rol paste de geliefde acteur Montand als een jas, schrijven biografen Hervé Hamon en Patrick Rotman in Yves Montand; You see I haven’t forgotten. Yves Montand en zijn echtgenote Simone Signoret spraken zich hun hele carrière publiekelijk uit over de politieke situatie, of tegen kernwapens of dictaturen. Voor Montand, als driejarig jongetje met zijn ouders voor het fascisme gevlucht, voelde dat als een noodzaak. Maar de biografen benadrukken ook dat Montand net zoveel plezier had in de rol van stelende nepbaron in de misdaadcomedy Le diable par la queue (de duivel bij z’n staart), of in de relatiefilm César et Rosalie met superster Romy Schneider. Hij was serieus, nauwgezet, maar niet beperkt. Hij kon als de beste ‘tranen mixen met een lach’.

En zingen kon hij natuurlijk ook. Daar was het tenslotte allemaal mee begonnen. Een broodmagere leerlingkapper met grote handen die op een geïmproviseerd podiumpje in Marseille voor de Bar des Mûriers Charles Trenet zong zonder enige kennis van zaken en zingen. ‘Boum! Quand notre coeur fait boum.’ ‘Dat wordt zo niks,’ had een oude pianolerares stuurs tegen hem gezegd, ‘Je moet leren om je hart in je mond te dragen.’ Hij ging z’n serieuze best doen, uren luisteren in een hokje in de platenzaak om Trenet van binnen beter te begrijpen. Toen, hij was zeventien, nam Ivo Livi ook zijn artiestennaam aan. Ivo werd Yves, en Montand was een verbastering van zijn Italiaanse geboortedorp, Monsummano. De familie vond dat leuk. Montand, klimmend, klimmend naar roem zeker.

De roem kwam in de oorlog, toen Montand naar Parijs trok en Edith Piaf ontmoette. Hij vertelde dat zij, net als Marilyn Monroe (een latere buitenliefde van Montand), een hand gaf met haar duim gevouwen in haar hand. ‘Zo’n vrouw die je het gevoel gaf dat je god was, onvervangbaar.’ Piaf omschreef hem zo, toen ze hem voor het eerst zag zingen: ‘Ik was veroverd. Een aura van kracht en standvastigheid, eloquente handen, krachtig, delicaat, een triest gezicht, een donkere stem, en – ongelooflijk – bijna geen Marseillaans accent.’

Filmen kwam pas daarna. Toen zijn grote liefde Simone Signoret hem leerde dat een music-hall artist vooral zichzelf laat zien, maar dat een acteur juist iemand anders binnen laat. ‘Een karakter steelt je lijf, je hoofd, je zorgen,’ zei ze. Montand wilde altijd weten hoe het voelde om het karakter te zijn dat hij speelde. Voor zijn rol als politieke gevangene in L’aveu (uit 1970), ook met Costa-Gavras, liet hij zijn handen boeien tot de striemen in zijn polsen stonden. In de jaren 60 en 70 speelde Montand in 32 films. Om aan zijn carrière in nog een prachtig staartje te geven, besnord en ouder, in Jean de Florette en Manon des sources.

In het verhitte jaar 1968, Montand was 47, begon hij aan de opnamen van Z. De film was gebaseerd op ware feiten. In 1963 was de Griekse politicus, dokter én voormalig verspringer Grigoris Lambrakis, na het houden van een antioorlogstoespraak in Thessaloníki, op straat aangereden door een driewielig vrachtautootje, en met een knuppel op zijn hoofd geslagen. Hij stierf later in het ziekenhuis. 500.000 Grieken gingen de straat op om te protesteren tegen de moord. ‘Z’ was hun protestslogan, de afkorting van. zei , ‘hij leeft!’ Onderzoeksrechter Christos Sartzetakis, de latere president van Griekenland, kwam er achter dat de aanslag beraamd was door een extreemrechtse groep met medeweten van hoge politie-officieren. Die officieren zouden later gerehabiliteerd worden door de militaire junta die in 1967 de macht greep. En Sartzetakis moest tijdens dat kolonelsregime zijn vasthoudendheid in de moordzaak met gevangenschap en marteling bekopen.

Toen Costa-Gavras Z las, de roman van Vassilis Vassilikos over deze moordzaak, zag hij meteen de film voor zich. Een film die de vuile rol van militairen en politiechefs in zijn geboorteland aan de kaak zou stellen. Hij vroeg onmiddellijk zijn vrienden om aan de verfilming mee te doen. Yves Montand tekende ongezien voor de rol van Lambrakis. En de Spaanse schrijver Jorge Semprún zei drie woorden toen Costa Gavras hem vroeg voor het scenario van Z: ‘Ik kom eraan.’ Montand en Signoret lazen het script als eerste.

Z was een vriendenfilm. Niet alleen omdat de hoofdrolspelers er zo ongeveer voor niets aan meededen. Costa-Gavras was een vriend van Montand. Jorge Semprún was ook een dierbare vriend. Montand zei over hem dat hij van Semprún hield ‘zoals je van een vrouw houdt’. In Montands biografie staat een fotootje van het trio van Z, uit 1974, vlak na de val van het Griekse kolonelsregime. Als drie ernstige musketiers zitten Montand, Semprún en Gavras samen op een blok steen voor het Parthenon, alle drie de handen gevouwen, serieuze blik naar de camera.

Z was ook een immigrantenfilm. Alle drie de mannen waren immigranten met communistische wortels. Costa-Gavras’ communistische vader, een Griekse verzetsman, werd na de oorlog een verdacht persoon. Wat betekende dat zijn zoon geen hogere opleiding mocht volgen. Costa-Gavras week uit naar Parijs naar de Sorbonne. Het verbijsterde hem dat je daar de communistische krant L’Humanité gewoon in vrijheid mocht lezen. Jorge Semprúns vader, ook een communist, was al in de Spaanse burgeroorlog naar Frankrijk gekomen. Yves Montand zelf was als kind met zijn communistische ouders voor Mussolini’s regime uit Italië naar Marseille gevlucht, waar zijn vader met een armzalig bezembedrijfje probeerde te overleven. Het had hem gevormd. ‘Mijn vaders gevecht liet littekens na op ons allemaal,’ zei hij. ‘Als klein kind leerde ik al over onderdrukking, vernedering, strijd en waardigheid. Daar ging mijn hele vroege leven over.’ De drie wisten meteen waarom ze Z wilden maken, of het nou om Franco of Mussolini ging, of om de Griekse militairen, Z was een pure aanklacht tegen de regimes die ze kenden. Maar alle drie worstelden ze net zo goed met de teleurstellingen van hun generatie, toen zo helder duidelijk werd dat de gebeurtenissen in het Oostblok een communistische heilstaat niet dichterbij brachten. Integendeel. Montand had nog twijfel gevoeld toen de Hongaarse opstand werd neergeslagen. Hij twijfelde ook of hij wel hoofdrol moest spelen in L’aveu, de tweede politieke film van Costa-Gavras. De film ging over de Tsjechoslowaakse politicus Artur London, die Mauthausen had overleefd, maar later door zijn eigen communistische partij van spionage werd beschuldigd en gemarteld. Montand was bang dat de film koren op de molen zou zijn van anti-communisten. Hij wilde zijn oude vader ook niet afvallen. Maar, zou Montand veel later toegeven, de Praagse Lente, ook alweer in het betekenisvolle jaar 1968, was de druppel geweest die de emmer deed overlopen. ‘Walgelijk, misselijkmakend, de tanks in Praag. Toen sloot ik het communistische hoofdstuk van mijn leven voorgoed.’

Z kwam uit in februari 1969. Ook met een grotendeels zwijgende Irene Papas als Lambraki’s weduwe, met muziek van Mikis Theodorakis (later nog verbannen door het kolonelsregime), en Jean Louis Trintignant als de ijverige onderzoeksrechter die de moord boven water krijgt, maar later van de zaak wordt gehaald. Montand is Lambrakis. Hij is gloedvol en charismatisch, maar met een trieste blik en een zachtbruin pak. Er is iets Gandhi-achtigs aan zijn lijdzaamheid. Hij heeft in wezen maar een paar korte scènes, maar zijn aanwezigheid is op een of andere manier voelbaar in de hele film.

Z had niet meteen de eerste week succes, maar werd daarna afgeschoten als een kanonskogel. Anderhalf miljoen bezoekers. ‘Frankrijks eerste grote politieke film,’ schreef L’Express, ‘wat een balans tussen ideeën en entertainment.’ Z draaide 36 weken in Parijs, kreeg een speciale prijs in Cannes, en ook twee Oscars. En filmkardinaal Roger Ebert schreef: ‘Z is een film van onze tijd. Een film die je doet huilen en bang maakt. Een totaal politieke film, maar de jonge regisseur Costa-Gavras vertelt op een bijna ondraaglijk opwindende manier. Z is tegelijkertijd een politieke woede-uitbarsting en een briljante thriller die eindigt in een achtervolging, niet door de straten, maar door de mazen van feiten, alibi’s en corruptie.’

[/blendlebutton]

Dit artikel is een bewerking van Yves Montand: You see, I haven’t forgotten van Hervé Hamon en Patrick Rotman uit 1992