Bhagwan

Wild Wild Country: Hoe groot was Bhagwan in Nederland?

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

In de Netflix-hit Wild Wild Country – over de opkomst en ondergang van de Bhagwanbeweging – komt Nederland even ook voorbij. Was het fenomeen hier echt zo groot?

Voor cynische journalisten en publicisten waren het mooie tijden, de hoogtijdagen van de Bhagwan in Nederland, tussen 1980 en 1984. Boudewijn Büch, destijds scribent van Het Parool, werd door de krant naar The Orange Full Moon Affair, het internationale Bhagwan-festival in het Frans Otten Stadion gestuurd en zag daar ‘7000 afwezig glimlachende mensen dansen en kussen.’ Matt Dings, die voor de Tijd naar hetzelfde evenement ging, hoorde er rond drie uur ’s nachts Ramses Shaffy – destijds Shami Shaffy, want Ramses was een van de bekende Nederlanders die zich aansloot bij Bhagwan – ‘Hoog Shami, kijk omhoog Shami,’ improviseren met op zijn hoofd een rode pet en om zijn nek een mala, de kralenketting met Bhagwans foto.

Ieder mens dat zichzelf weldenkend vond, keek neer op de in rood en oranje geklede volgelingen, sannyasins genoemd, van de Indiase Rajneesh Chandra Mohan die zich Bhagwan liet noemen en weer later Osho. De voormalige professor in de filosofie had het Rajneeshisme ontwikkeld, de leer die middels therapie, meditatietechnieken en vrije seks tot een spiritueel ontwaken zou leiden en die vooral grote aantrekkingskracht had op blanke westerlingen.

In het dorp waar ondergetekende opgroeide, hadden gezinnen begin jaren 80 twee angsten als kinderen richting Amsterdam vertrokken: dat ze aan de heroïne zouden raken of dat ze zich bij de Bhagwan zouden aansluiten. Zowel het eerste als het tweede was niet eens helemaal uit de lucht gegrepen: met 10.000 heroïneverslaafden was de drug destijds volop aanwezig in de hoofdstad en met ongeveer evenveel Bhagwan-aanhangers (het precieze aantal is nooit exact vastgesteld, maar het zou voor heel Nederland in de buurt van de 15.000 hebben gelegen), was het niet onmogelijk om daar iets van op te pikken. Sterker, de Bhagwan was zeer aanwezig in die tijd: ze had onder meer een restaurant, een wasserette, een boekhandel en er was een woongroep, die eerst in de oude gevangenis aan de Havenstraat zat. Later, toen er steeds meer aanhangers kwamen, verhuisden ze naar het Cornelis Troostplein, waar ze een grote, zo veel mogelijk zelfvoorzienende gemeenschap vormden. En dan werd er in 1983, midden in het centrum aan de Oudezijds Voorburgwal, ook nog eens discotheek Zorba de Buddha geopend, die binnen de kortste keren uitgroeide tot een van de populairste discotheken van de stad en waar je prima kon dansen op de 80 m2 grote dansvloer. Dat de avond een paar keer werd onderbroken omdat het personeel een tussentijdse meditatie deed, deerde de bezoekers allerminst. Ze stonden in lange rijen voor de deur om naar binnen te mogen. Toch hoefde de doorsnee bezoeker geen angst te hebben dat hij bekeerd zou worden op zo’n avond.

Anders dan veel mensen (vooral in dorpen, hier en in Amerika) dachten, was de Bhagwan geen sekte, het was geen beweging die je inlijfde en je vervolgens niet meer liet gaan. Mensen die zich erbij aansloten, waren zoekers, die verdieping zochten en ‘love, peace and harmony’ wilden. Sommigen namen hun kinderen mee, die in de communes door iedereen werden verzorgd, want bezit bestond niet. Bhagwan vond dat kinderen hun eigen gang moesten gaan, dat ze slechts geholpen hoefden te worden om zichzelf te zijn. Ze moesten worden gesteund en gekoesterd, maar dat hoefde niet per se door de eigen ouders te gebeuren. Ma Anand Sheela, Bhagwans persoonlijke secretaresse, door velen (later) gezien als de kwade genius van de beweging, gaf daar een eigen interpretatie aan: vanuit Oregon liet ze weten dat kinderen zich het beste konden ontplooien zonder hun ouders. En zo kwamen er in Engeland, Duitsland en ook in Nederland plekken waar de kinderen samenwoonden en voor elkaar zorgden, zoals in Heerde, aan de rand van de Veluwe, waar een handjevol sannyasins zich ontfermden over een groep van vijftien peuters, kleuters en tieners. Een van de bewoonsters, de destijds 13-jarige Maroesja Perizonius, maakte in 2004 de documentaire Communekind, waarin ze (met zeer gemengde gevoelens) terugkijkt op haar jaren bij Bhagwan.

In Nederland sloten naast Ramses Shaffy nog een aantal bekende mensen zich aan bij de beweging. Albert Mol zou een volgeling zijn, al noemde hij zichzelf geen discipel, maar leidde hij theaterworkshops in een van de vele door Nederland verspreide filialen van Bhagwan omdat hij, ‘net als de spiritueel leider zelf, ervan hield les te geven’ zoals hij in een reportage over de workshop in Elsevier zei. Het artikel werd opgeluisterd met foto’s van vrije expressie beoefenende sannyasins en van aan de lijn te drogen hangende commune-was ‘…meer roze, hard-rood en bordeaux dan oranje…’ aldus het onderschrift. Ook oprichters van cabaretgroep Don Quischocking, George Groot en zijn vrouw Anke Groot-Peterson, waren in de ban van Bhagwan. Groot kleedde zich alleen nog in het oranje en liet zich aanspreken met Swami Anand George. De bekering leidde tot onrust in de groep die in 1981 uit elkaar viel. Woordvoerder van Bhagwan in Nederland was psychiater Jean Foudraine, in de jaren 70 bekend geworden met zijn omstreden visie op de behandeling van mensen met schizofrenie, maar onder het progressieve deel van Nederland genoot hij vooral bekendheid door zijn bestseller Wie is van hout? (1971), waarin hij pleitte voor een humane aanpak van de behandeling van psychiatrische patiënten. Foudraine, wiens Bhagwannaam Shami Deva Amrito luidde, had de grote leider een paar keer persoonlijk ontmoet, eerst in Poona, India waar de ashram aanvankelijk zat en later toen de commune naar Amerika verhuisde, in Oregon. Foudraine voelde zich ‘een soort oranje Johannes de Doper’, vertelde hij in een interview. ‘Hij heeft me nu weer een zware opdracht gegeven. Ik moet een nieuw boek schrijven. Ik heb gevraagd om de last van mijn schouders te nemen.’ Ook zijn ‘bekering’ wekte hoon bij de vaderlandse pers. Journaliste Bibeb sprak hem in 1981 voor Vrij Nederland. Op haar observatie: ‘Je lijkt niet veel gelukkiger dan vroeger’ antwoordde Foudraine: ‘Geluk is voor lollyzuigers.’

Toch was geluk en blijmoedigheid vooral de eerste jaren juist het kenmerk van de aanhangers van Bhagwan. Wie de woongroep aan de Cornelis Troostplein bezocht, zag een opgewekte bedrijvigheid: iedereen, van jong tot oud, was aan het werk, al werd het geen werken maar ‘worshippen’ genoemd: ‘erediensten’. Werken, vooral met de handen – dat zie je ook in Wild Wild Country – gaf een enorme voldoening. Het samen bouwen en het samen zorgen dat alles draait, was goed voor een aanstekelijke energie. Samen mediteren, dansen, en de vrije seksuele moraal was voor velen op dat moment in hun leven het beste wat ze kon overkomen.

Frank Wiering, zelf een zoekend mens, maakte in 1984 de documentaire De nieuwe mens over vier Bhagwan-volgelingen. Hij sluit zich daartoe aan bij de commune in Heerde en gaat later met ze mee naar Amsterdam, naar het complex op het Cornelis Troostplein. Als de vier vervolgens naar Rasjneepuram in Oregon gaan, om de leider in het echt te ontmoeten en mee te draaien in de beroemdste aller Bhagwan-communes, gaat ook Wiering mee. Het bijzondere aan de film is dat hij echt een inkijkje geeft in het alledaagse leven van de Rasjenees. En dat de twee vrouwen en twee mannen die hij volgt zo eerlijk zijn over hun zoektocht, die ook in onze tijd eigenlijk volkomen helder is en in die zin niet gedateerd aandoet. Vooral de vrouwen maken de indruk het goed op een rijtje te hebben. Met de keuze voor Bhagwan kiezen ze voor een vrijheid die ze tot dan toe ontbeerden. Wiering zelf besluit zich uiteindelijk niet aan te sluiten, zoals hij het op het eind van de documentaire, zittend met een van zijn personages verwoord: ‘Heaven is to float, hell is to steer. Ik stuur liever.’ Eigenlijk nog interessanter, niet zozeer qua beeld, maar wel qua inhoud, is het vervolg dat hij twintig jaar later maakte. In De meester en het echte leven (2004) zoekt hij de vier sannyasins wederom op en kijkt hoe het ze is vergaan. Wat blijkt? Waar de Bhagwanbeweging na de schandalen in Oregon, het uiteenvallen van de beweging en de dood van Osho zijn draagvlak heeft verloren en het aantal sannyassins wereldwijd is gedecimeerd, hebben de vier op een bepaalde manier gevonden én vastgehouden wat ze destijds zochten. Ze wonen in verschillende landen, hebben (op een na) hun huis zelfgebouwd of verbouwd en blijken het nog altijd eens te zijn met wat ze zeiden in de fragmenten die Wiering hen nu laat zien. Wat hetzelfde is gebleven, is dat ze nog steeds zoeken naar rust en spiritualiteit en naar de innerlijke weg. En daar allemaal naar leven: de een geeft workshops meditatie en yoga op Ibiza, een ander woont in Australië en vertelt dat ze nog altijd ‘worshipt’ als ze werkt. En een ander woont gewoon op een flatje in Buitenveldert en is zijn eigen goeroe geworden.

Het is, na het zien van Wild Wild Country, goed om te zien dat de in De meester en het echte leven geïnterviewde sannyasins, die eigenlijk nog steeds overwegend blij en jubelend terugkijken, niet per definitie een uitzondering of typisch Amerikaans zijn. Niet voor iedereen is het keurslijf van het gewone leven nou eenmaal het meest passend. 


De nieuwe mens
NPO Extra, zondag 6 mei, 23:35

Documentaire van Frank Wiering uit 1984 over vier Nederlandse Bhagwanvolgelingen

De meester en het echte leven
NPO Extra, maandag 7 mei, 21:30

Documentaire uit 2004 waarin Wiering terugkeert naar de vier Bhagwanvolgelingen die hij twintig jaar eerder vastlegde

Lees ook