Stranger Things S1: een hommage van de beste soort

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Hoewel de vele subtiele en minder subtiele popculturele verwijzingen in Stranger Things soms iets te hard dwars door de vierde muur dreigen te denderen, lukt het de makers om de juiste balans te houden.

Hoewel de vele subtiele en minder subtiele popculturele verwijzingen in Stranger Things soms iets te hard dwars door de vierde muur dreigen te denderen, lukt het de makers om de juiste balans te houden.
 

Alsof Steven Spielberg ergens begin jaren tachtig een verhaal van Stephen King heeft verfilmd. Dat is de nieuwe Netflix-serie Stranger Things in het kort. Een klein Amerikaans stadje omringd door uitgestrekte bossen, jongetjes op crossfietsen en een mysterie van buitenaardse en/of paranormale aard. Van dat werk. Met een synthesizersoundtrack en talloze referenties en hommages aan de popcultuur van de jaren tachtig.

Het stadje is in dit geval Hawkins, in Indiana, waar in 1983 op een late avond de 12-jarige Will Byers door… iets wordt achtervolgd in het bos en spoorloos verdwijnt. Als zijn drie beste vrienden Mike, Dustin en Lucas naar hem op zoek gaan, vinden ze in plaats van Will een meisje dat buitengewone krachten blijkt te bezitten. En ondertussen is Mike's moeder – Winona Ryder! – ervan overtuigd dat haar zoon met haar probeert te communiceren door middel van knipperende kerstlichtjes.

Voor de kenner is het duidelijk waar de makers van Stranger Things – de tweelingbroers Matt en Ross Duffer – de mosterd halen. In het plot zijn elementen van Spielberg-films als E.T. en Poltergeist (geregisseerd door Tobe Hooper, maar geschreven en geproduceerd door ‘The Beard’), en Stephen King-verhalen als The Body (verfilmd als Stand By Me) en Firestarter terug te vinden. De soundtrack had recht uit de synthesizer van John Carpenter kunnen komen en zelfs de tienerfilms van John Hughes lijken een inspiratiebron.

Zulke jaren-tachtig-nostalgie loopt echter makkelijk uit de hand, met een overdaad aan neonkleuren en haarlak. Hoewel de vele subtiele en minder subtiele popculturele verwijzingen – waaronder Star Wars, He-Man, The Evil Dead en een wel héél letterlijke referentie aan Stephen King – soms iets te hard dwars door de vierde muur dreigen te denderen, lukt het de makers om de juiste balans te houden: Stranger Things is in de eerste plaats vooral een spannend verhaal met fijne personages, over vriendschap, opgroeien, geheime experimenten en monsters.

Daarnaast weet de serie ook de valkuil van een centraal mysterie dat uiteindelijk tot een teleurstellende ontknoping leidt – zie Lost en veel van zijn navolgers – met verve te omzeilen. Sterker nog: de tweede helft van het seizoen is beter dan de eerste paar afleveringen. Alle verhaallijnen komen bij elkaar voor een tevreden stemmende climax, die de mogelijkheid van een tweede seizoen openlaat, maar ook prima als afronding van de serie kan dienen.

Stranger Things is een hommage van de beste soort: de verwijzingen zijn leuk, maar wat de serie vooral goed doet, is vakkundig de stijl en het gevoel van de avonturen-, sf- en horrorfilms van begin jaren tachtig vertalen naar een moderne serie, met her en der een slimme draai aan de conventies van het genre. Spielberg en King hadden het zelf niet veel beter kunnen doen.

Stanger Things S1, nu op Netflix

Lees ook