Sinan Can

Sinan Can over zijn reis naar Afghanistan

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Onderzoeksjournalist Sinan Can reisde in Afghanistan de Nederlandse VN-missie na.

Onderzoeksjournalist Sinan Can reisde in Afghanistan de Nederlandse VN-missie na. Nooit zag hij zoveel geweld in zo’n korte periode. Plus: hoe dit artikel winterjassen en schoenen oplevert voor een internaat in Kabul.

Ik zat in Afghanistan in een hinderlaag met de taliban en ik moest denken aan La vita è bella. Die film gaat over een man die tijdens de Tweede Wereldoorlog in een concentratiekamp tegen zijn zoontje net doet of alles nep is, alsof alles een spel is. Puur ter afleiding voor zijn zoon. Zulke trucjes voeren mensen in het echt ook uit met kinderen, om ze de oorlog door te trekken. Ik ontmoette ooit in Syrië een lerares die me vertelde wat ze deed als ze geknal hoorde: ze begon in de klas te zingen. En dan vroeg ze de klas of er iemand harder kon zingen dan zij. Nou, alle kinderen begonnen te zingen en te krijsen. Zo ­zongen ze door het geknal heen en kwamen ze het moment door.
De taliban-hinderlaag waarin ik deze keer zat duurde tweeënhalf uur. Veel ben ik vergeten; ik verkeerde in shocktoestand. Maar het beeld dat is blijven hangen, is dat van twee kinderen, eentje van een jaar of vijf, eentje van zeven, die zich achter een lemen muurtje schuilhielden. Zo’n heel dun muurtje – waar makkelijk driehonderd kogels doorheen konden – moest hen beschermen. Terwijl ik door het raampje van het pantservoertuig naar hen keek, werd ik overmand door verdriet. Ik kon wel huilen. Ik schaamde me bijna voor mijn eigen geluk. Het beeld van die kinderen is voor mij hét beeld van dat moment geworden. En ik dacht: hoe trek je kinderen door deze oorlog heen? Misschien zoals in La vita è bella? Hebben hun ouders ook zo’n trucje, in een oorlog waar geen einde aan komt?’

‘Twee keer eerder ben ik in Afghanistan geweest. De eerste keer in 2002 voor CNN TÜRK, om werkervaring op te doen. Ik was toen voor een reportage in Kabul – toen al een vieze stad, een stad in puin door alle oorlogen. Tien jaar later was ik er opnieuw, voor het VARA-programma Uitgesproken, om een reportage te maken over een jongen die vanuit Nederland was uitgezet naar Afghanistan omdat het land nu veilig zou zijn. Ik wilde weten wat er van zo’n jongen terecht was gekomen. Nou, het was heel akelig, met de oorlog die rond zijn huis woedde. Ik werd er echt heel down van.
Tijdens die tweede reis werd ik ook gegrepen door het uitzicht dat ik vanuit mijn safe house had. In het straatje was een soort bushokje, een betonnen bankje met een dakje erboven, zonder muren. Daar wóónden twee kinderen. Dat raakte mij zo ontzettend. Ik vroeg me af: hoe kun je hier leven, op dit bankje? Ik dacht: als ik nog eens terugga naar dit land, zou ik wel iets voor die kinderen willen doen.’

‘Dit jaar landde ik opnieuw op het vliegveld van Kabul, samen met regisseur Thomas Blom. Je arriveert in een stad waar het gevaar van alle kanten komt; regelmatig worden er mensen gekidnapt. De daders zijn niet altijd talibanstrijders, soms zijn het drugscriminelen, dan weer is het Al-Qaeda, of IS – ik weet niet wat erger is. En ik weet ook niet met wie ik moet communiceren om risico’s te verkleinen. Gelukkig haalde fixer/producer Wali Hashimi ons van het vliegveld op; met z’n drieën hebben we de hele reis gemaakt.
Voor het eerst kwam ik nu eens buiten Kabul. Wat mij ontzettend verraste, was het landschap. De bergen zijn er als in Zwitserland, met sneeuw. Er zijn verder groene gebieden en zandvlakten. Zó divers. De valleien die je er ziet, liggen er al duizenden jaren zo bij. Plekken waar Alexander de Grote nog heeft rondgelopen zijn onveranderd. Waar vind je dat in de wereld?
Ik kwam in Noord-Afghanistan twee Duitse toeristen tegen, ze waren kennelijk verdwaald. En wat Amerikaanse thrillseekers, die hier via een speciale reisorganisatie waren gekomen – er is een bedrijf dat toeristen naar conflictgebieden loodst. Ze waren ook beschoten, ongetwijfeld helemaal volgens de folders van die organisatie.
De Afghanen die ik ontmoette, waren vaak terneergeslagen. Moe. Afghanistan wordt natuurlijk al decennialang geteisterd door oorlog. Operatie Enduring Freedom (aanval op de taliban door onder andere Amerika, vanaf 2001, red.) blijft zich ook maar voortslepen, inmiddels al ruim vijftien jaar. Afghanen brengen hun levens door in oorlog, net als hun ouders en grootouders. En net als hun kinderen en waarschijnlijk ook hun kleinkinderen. Die wetenschap maakt een land natuurlijk hard, maar tegelijkertijd zit er ook een soort zachtheid in het Afghaanse volk. Niet alles is te koop in dit land trouwens, daar is het volk te trots voor.
Wat al die oorlog doet met een land, is bijvoorbeeld te zien aan de manier waarop Afghanen autorijden. Zo roekeloos! Onze chauffeur reed pal langs een ravijn, met één hand aan het stuur. Eén verkeerd steentje op de weg en we zouden het ravijn in storten. De chauffeur lachte; we moesten niet bang zijn. Maar de chauffeur kon ook gewoon midden op de weg rijden. Waarom zo onnodig het gevaar opzoeken? Het zegt veel over een land waarin iedereen wel een familielid heeft, of iemand kent, die door de oorlog is omgekomen. Je wordt er omringd door de dood.
Ik reisde de Nederlandse VN-missie in Afghanistan achterna. We hebben het hier over de grootste Nederlandse militaire operatie sinds 1949. Ruim dertigduizend soldaten deden mee, de missie heeft een paar miljard gekost. Ik wilde in drie weken uitzoeken hoe het er inmiddels voor stond? Wat was er nog over van het werk? Wat voor wensen hebben de Afghanen, en hoe denken zij over de Nederlandse missie?
De reis begon opnieuw in Kabul. Ik bezocht de plek waar de eerste Nederlandse gewonde is gevallen, in 2002. Dat was het startpunt, van daaruit wilde ik het spoor van de missie volgen. Allereerst richting Baglan, waar wij uiteindelijk niet konden komen want op weg ernaartoe stuitten we op een vuurgevecht met de taliban en moesten we terugkeren. En dan moest het gevaarlijkste deel van de reis nog komen: Uruzgan.’

‘Uruzgan, waar Nederland met Kamp Holland vier jaar heeft gezeten, wordt omringd door taliban. Als je die niet wil tegenkomen, kun je de provincie alleen per vliegtuig bereiken. Er gaat één vlucht per per week, als je geluk hebt. Bij te weinig passagiers vertrekt het toestel niet en moet je een week wachten.
Ik kende de gevaren, maar toch was het daar gevaarlijker dan ik vooraf had gedacht. Je kunt immers niet zeggen: het wordt ons te heet onder de voeten, we rijden weg. De taliban zit overal om je heen. We moesten het er een week uitzingen, tot het volgende vliegtuig. En dus hopen dat die vlucht ook echt door zou gaan.
Kamp Holland staat er nog. Het is afgesloten, op slot, er zitten nu een paar Afghaanse militairen maar die doen verder niks. “Misschien komen de Nederlanders nog terug,’ denken de Afghanen. “Of een andere buitenlandse legermacht.” Alle airco’s staan er nog, alle bedden. Het is natuurlijk heel wrang dat de Afghanen denken dat wij terugkomen. Ze zien die hele missie als een operatie die nog niet af is. Ze zijn ook niet negatief over Nederlanders. Toen wij indertijd weggingen, hebben we onze operatie overgedragen aan de Australiërs en de Amerikanen. Met name Amerikanen opereren daar heel anders. Zij kijken meer neer op de lokale bevolking dan de Nederlandse militairen dat deden, dus ik snap best dat Afghanen liever Nederlanders hebben. Maar voor hun gevoel hebben we er ook te kort gezeten – vier jaar ís ook te kort om iets op te bouwen. Ja, je bouwt een netwerk op. Mensen beginnen je te vertrouwen. Maar toen zijn we – zo ziet de lokale bevolking dat – in één keer weggegaan. We hebben ze in de steek gelaten. Ze begrijpen dat niet. Nederland heeft een band opgebouwd met de bevolking, we hebben onze kinderen hier naartoe gestuurd en gemeenschapsgeld verbruikt. Ze zeiden letterlijk tegen mij: “Zo ga je toch niet met vrienden om? Je vraagt een vriend toch hoe het met hem gaat? Vraag dat ook eens aan ons.” Ze zijn er heel verdrietig over. Nederland heeft Uruzgan laten vallen en er nooit meer naar omgekeken.
De VN-missie was een opbouwmissie. En er is ook zeker wat opgebouwd. Er is een technische school, een vliegveld, een weg – die heel gevaarlijk is overigens. Maar er zijn ook scholen gebouwd die er nu niet meer staan. Of er nooit hébben gestaan. In de dossiers staan scholen genoteerd die er helemaal niet zijn. Of er is alleen een fundering, waar junks het laatste ijzer uit hebben gestolen. Dat is toch verschrikkelijk?
Toen we uit Uruzgan wilden vertrekken, stond ik op het vliegveld met pijn in mijn buik van de zenuwen. Zou het toestel komen? Het kwam, gelukkig, want ik ben ervan overtuigd dat we een tweede week daar niet hadden overleefd. Veel lokale bewoners wisten dat we daar zaten. En we werden beveiligd door mensen van wie ik niet zeker wist bij wie hun loyaliteit lag. Het gevaar dat daarin lag is ook gebleken: twee weken na ons bezoek is de compound aangevallen door de taliban, met hulp van mensen van binnenuit. Die mensen die ons beveiligden, zijn overgelopen naar de taliban. Als dat een paar weken eerder was gebeurd, waren we nu dood geweest.’

‘Ik heb in de drie weken dat ik er was, meer geweld gezien dan ooit daarvoor. Tijdens de eerste week werden twee hoogleraren van de Kabul Universiteit gekidnapt, er vond een aanslag plaats op die universiteit, we werden onder vuur genomen door de taliban. In dezelfde week zijn twee gemeenteambtenaren doodgeknald. Op de dag dat we terug waren in Kabul, zijn drie aanslagen in de stad gepleegd, met veertig doden. Op de laatste dag, toen we weg zouden gaan, was er nog een grote bomaanslag, tweehonderd meter bij ons verblijf vandaan. Ik ben op veel ellendige plekken geweest in mijn leven, maar hier lag wel de grens. Je komt in een soort overlevingsmodus. Ik dacht: we moeten gewoon veilig terugkomen met het team, zorgen dat we samen het land uitkomen. Geen onnodige risico’s dus.
Tijdens de Nederlandse missie zijn 24 soldaten omgekomen. Er zijn gewonden gevallen. En een paar duizend militairen hebben last van PTSS, zij zijn getekend voor het leven. Het zijn allemaal mensen die grote offers hebben gebracht. Toen ik zelf door Uruzgan reed, dacht ik telkens: hoe erg moet het zijn geweest voor die soldaten? Altijd die dreiging. Die gevechten, die bermbommen, de taliban? Dat je niet meer weet wie je vriend is en wie je vijand? Ik begrijp de militairen nu ook beter, omdat ik zelf de poort uitreed en niet wist of we heelhuids terug zouden komen. Het is zo’n groot offer – een militair wil dan wel dat het iets oplevert. Dat het duurzaam is. Als zo’n missie dan te snel afgerond wordt, is dat verdrietig.’

‘Ik zat nog met mijn plan voor de kinderen in Kabul, dat ik tijdens mijn vorige reis opdeed toen ik naar dat bushokje zat te kijken. Fixer Wali heeft contact gelegd met dit weeshuis, wat eigenlijk een soort internaat is voor kinderen zonder ouders, of met slechts één ouder, of met ouders die drugsverslaafd zijn.
De tekeningen bij dit stuk zijn op mijn verzoek door de kinderen uit het internaat gemaakt. We wilden eens laten zien hoe kinderen achtduizend kilometer verderop leven. Wat hun wensen zijn. En waar ze van dromen.
Thomas fotografeerde de kinderen (afgedrukte tekeningen en foto’s horen overigens niet bij elkaar). De leiding aldaar spoorde de kinderen aan om te lachen, maar ik vond dat de kinderen moesten kijken zoals ze zelf wilden. En dus zie je niemand glimlachen. Het VARAgids-honorarium voor dit stuk gaat ook naar deze kinderen. Niet naar de directie van het weeshuis; wij gaan zelf onder meer schoenen en winterjassen voor ze kopen, die onze fixer persoonlijk aan de kinderen zal overhandigen.’

NPO 2, 12 en 14 december, 21:10 uur.