Wie is de mol

Roos Schlikker over haar debuut in Wie is de Mol?

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Schrijfster Roos Schlikker dacht dat ze nooit voor Wie is de Mol? zou worden gevraagd, maar toch kwam dat ene telefoontje: ‘Ben je alleen?’

Nu weet ik eindelijk hoe een iets te starre persvoorlichter zich voelt. Ik heb ze talloze keren aan de lijn gehad. Figuren wier baan het is om zo min mogelijk naar buiten te brengen. Je belt als journalist omdat je hebt gehoord dat een bedrijf zielige ondervoede kindjes gebruikt om kleertjes in elkaar te punniken en de reactie van de voorlichter is: ‘Daar kan ik helaas niets over zeggen.’ Wil je verifiëren of een omroepmedewerker meer dan drie keer zoveel als de Balkenendenorm verdient, krijg je te horen: ‘Daar kan ik helaas niets over zeggen.’ Vraag je hoe vaak Mark Rutte tegenwoordig nog met de deuren slaat als iets hem binnen de partij niet zint: ‘Daar kan ik helaas niets over zeggen.’ Kapot heb ik me er altijd aan geërgerd. En nu doe ik al weken hetzelfde.

Sinds bekend werd dat ik een van de deelnemers ben aan Wie is de Mol? houdt ik angstvalliger de deuren gesloten dan de FBI, Noord-Koreaanse veiligheidsdienst en de Bilderbergconferentie bij elkaar. ‘Hoe lang ben je weg geweest? Met wie sliep je op een kamer? Heb je jokers gehad? Peutert Art weleens in z’n neus?’ Op al die vragen heb ik maar één antwoord: daar kan ik helaas niets over zeggen.

Nog erger was de periode ervoor toen nog helemaal niemand mocht weten dat ik überhaupt iets met het programma te maken had. En dat terwijl ik maandenlang elke dag wel een keer bijkans ontplofte van opwinding bij het idee: ik zit er in, ík zít er ín.
Jaren geleden voerde ik een ernstig gesprek met mijn echtgenoot. Op de achtergrond klonk de bekende Mol-tune, in beeld verschenen één voor één de kandidaten. Ze tuurden bloedserieus, bloedfanatiek en bloedgespannen in de camera. ‘Schatje,’ teemde ik. ‘Ik word hier natuurlijk nooit voor gevraagd want daarvoor moet je een bekende Nederlander zijn, maar áls ze ooit, ooit, ooit bellen, kan ik niet anders dan ja zeggen.’ Alle seizoenen had ik tot dan toe gezien. Van Milouska Meulens die door zich letterlijk dom te houden een perfecte mol bleek en Daniel Boissevain die schaterend half uit een helikopter hing tot Ellie Lust die me met de klok mee leerde zoeken, ik ging er helemaal in op en wilde niets liever dan deel uit maken van het selecte gezelschap kandidaten. Mijn echtgenoot glimlachte. ‘Tuurlijk joh, dat zien we dan wel weer.’ Lichtjes hoofdschuddend schepte hij een bord spaghetti vol. Roos in Wie is de Mol? As if.

Begin 2016, het was opnieuw etenstijd, ging mijn telefoon. Er klonk een vriendelijke stem die gedecideerd een vraag stelde. ‘Ben je alleen?’ Vraag me niet waarom, maar onmiddellijk wist ik het. Nadat ik, opgesloten in mijn slaapkamer, het korte telefoontje afhandelde, liep ik naar boven. Ik tikte mijn man op zijn schouder en zei: ‘Ze hebben gebeld.’ Meer was niet nodig. Mijn echtgenoot lachte. ‘Dan gaan we het regelen.’
Later hoorde ik dat het nog niet vaak was voorgekomen dat iemand met een gezin zo snel terugbelde om te zeggen dat ze mee kon.

Een smoes voor de buitenwereld bedenken was eigenlijk niet zo moeilijk. Ik was al maanden bezig mijn eerste roman af te ronden en dus besloten mijn man en ik om mij zogenaamd naar een schrijfhuisje in Toscane te laten gaan. Het ging er in als koek, niemand die mij met opgetrokken wenkbrauwen aankeek. Niemand ook die het geringste vermoeden had dat ik continu met een paklijst in mijn hoofd rondliep waaruit ik probeerde op te maken waar we heen gingen (Regenkleding mee? Iets tegen de kou? Het zal toch niet zo zijn dat ze uitgerekend dit seizoen naar een kaalgevreten Siberische hoogvlakte vertrekken?), dat ik voortdurend met de nodige bibberitis dacht aan mijn potentiële reisgenoten (‘Straks zijn het allemaal nare ego’s. Of enorme ijdeltuiten. Of narrige hipstervloggers die het afschuwelijk vinden opgescheept te zitten met een schrijfmoeder van 41’), dat ik in de avonduren naarstig oude seizoenen zat te kijken om te pogen alle opdrachten echt volledig te snappen (geef toe, er is soms geen touw aan vast te knopen. Iedereen die beweert de spellen uit WIDM helemaal te begrijpen, liegt). Ik deed het allemaal in het geniep, geheim en ondergronds.

Die totale geheimhouding is misschien wel de zwaarste opdracht van Wie is de Mol?. Dat bleek ook na de heenreis. Pas op Schiphol weet je waar je heen gaat en wie je medekandidaten zijn, maar ook daar mag je onderweg niet mee praten. Zo kon het gebeuren dat Diederik Jekel, die ik al langer ken, totaal langs me heen keek toen ik me in mijn vliegtuigstoel wurmde. Pas nadat we door de douane in Portland waren, mochten we communiceren. Vermoedelijk loopt er nog steeds een groep douanebeamtes met een fikse gehoorbeschadiging bij diverse KNO-artsen, zo veel herrie maakten we toen we eindelijk niet meer monddood waren.

Die herrie bleef aan. Mijn zorgen over nare, arrogante, ijdeltuiterige BN-ers bleken ongegrond. Eerder vormden we een gemêleerd rariteitenkabinet dat slechts één missie had: we gaan dit spel écht spelen. Fanatiek, luidruchtig, eigenzinnig en niet geheel standaard, dat was onze gemene deler. De slogan van onze aankomstplaats luidt niet voor niets Keep Portland weird. We hadden vermoedelijk op geen enkele andere plek beter kunnen passen.

Een groep bovendien die meer met het spel bezig leek dan met de camera’s. Het is onzin te zeggen dat je die vergeet, zeker niet omdat er ook nog eens voortdurend een drone boven je zoemt. Maar het spel spelen is zo veel interessanter dan de vraag ‘Kom ik mooi in beeld?’ waardoor die al gauw naar de achtergrond verschuift. Mijn medekandidaten hebben me voornamelijk gezien in spijkerbroek en praktische regenjas, iets waar ik normaal bepaald niet in uit te tekenen ben. Maar het boeit niet. Onlangs hebben we met de hele groep de eerste beelden mogen bekijken. En daar zag ik mezelf, in de leader. Bloedserieus, bloedfanatiek en bloedgespannen. Pas toen realiseerde ik me: dit is echt gebeurd. Ik zit er echt in. Het is onvoorstelbaar, het is ongelofelijk weird. En het was echt fantastisch.
Hoe fantastisch? Hoeveel ik heb meegemaakt? Of ik iets van de opdrachten heb begrepen? Echt, ik kan niet wachten om er over te praten, maar voorlopig mag het niet. Er zijn tientallen vragen, ik krijg ze dagelijks. Ik heb alleen maar één antwoord: daar kan ik helaas niets over zeggen.

7 januari, NPO 1, 20:25 uur.

Lees ook