Op bezoek bij Muhammad Ali

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Voormalig AVRO-sportverslaggever Ruud ter Weijden werd stinkend rijk met de allereerste Muhammad Ali-documentaire ooit. Althans, zo ging het gerucht. Maar dat is dus niet waar, blijkt uit dit interview.

Voormalig AVRO-sportverslaggever Ruud ter Weijden werd stinkend rijk met de allereerste Muhammad Ali-documentaire ooit. Althans, zo ging het gerucht. Maar dat is dus niet waar, blijkt uit dit interview.
 

Ruud, het verhaal doet de ronde dat jij een documentaire over Muhammad Ali hebt gemaakt die de hele wereld over is gegaan en waaraan jij nog steeds goed verdient. Wat is daarvan waar?

Eigenlijk is er niks van waar. Wel klopt het dat die wereldwijd verkocht is en grote prijzen heeft gewonnen. Maar eigenlijk gaat het over drie documentaires. In 1973 ben ik bij Muhammad Ali thuis geweest in Amerika om te filmen. In 1976 kwam hij op bezoek in Nederland, maar toen fungeerden wij meer als zijn stadsgids voor Amsterdam, Volendam en omstreken. Het was een promotietournee voor de autobiografie die hij had geschreven. En in 1988 heb ik hem voor de derde keer geïnterviewd, in een hotel in Chicago. Toen was hij al Parkinson-patiënt en moeilijk te verstaan. De beelden van dat interview heb ik vermengd met materiaal uit 1973 en 1976 en daaruit bestaat de derde documentaire. Maar in de eerste speelde hij piano voor ons – hij wilde laten horen dat hij de boogiewoogie kon spelen – en probeerde hij zijn zoontje van één jaar oud, Muhammad Ali junior, te laten lopen. ‘Show them!’ riep hij. Tevergeefs.

Laten we het dan over de eerste documentaire hebben. In 1973 was Muhammad Ali op het toppunt van zijn roem.

Muhammad Ali was toen al lang een wereldster, de onoverwinnelijke bokser. Iedereen die ertoe deed, had hij verslagen. Ik heb nog nooit een zwaargewicht gezien die zo danste, die zo elegant was. Hij was een prachtige man om te zien, verbaal bij de les, geestig.

 

Hoe kwam de film tot stand?

Dat ging vrij makkelijk. Wij zonden bij AVRO’s Sportpanorama zijn gevechten uit, dus na een tijdje lag het voor de hand dat we zouden proberen om hem ook eens te spreken te krijgen. Ik ging er zelf achteraan. Zoeken, bellen, contact opnemen met allerlei agentschappen. Op een gegeven moment hadden wij het ‘geluk’ dat hij zijn kaak had gebroken in een gevecht met Ken Norton. Hij zat thuis te niksen. Daar zochten wij contact met hem via de telefoon en de telex, tot zijn echtgenote Khalila Ali antwoordde: ‘Goed, komen jullie maar.’ We stapten op het vliegtuig naar New York en reden de volgende dag naar zijn huis in Cherry Hill, vlakbij Philadelphia.

Wat voor huis was dat?

Een groot, vierkant huis met een gat in het midden: een patio met kunstgras. Er waren spiegelwanden, kroonluchters… Tout court: heel Amerikaans. Wij zouden het niet willen hebben. We klopten daar aan en een meneer deed de deur open: ‘Wat komen jullie doen?’ Ali’s vrouw kwam erbij en zei: ‘Het is goed, kom binnen. Hij zit daar.’ Daar, in een kamer, zat Muhammad Ali in een stoel, met een bandrecorder. Hij was een toespraak aan het oefenen tegen de oorlog in Vietnam voor Nation of Islam, de organisatie van zwarte moslims waar hij lid van was. ‘Wat komen jullie doen?’ vroeg hij. ‘Wij blijven een dagje bij u,’ antwoordden wij. Hij keek ons aan met een blik die zei: wat is dáár nou aan? Tegen de cameraman zei ik: ‘Begin maar vast met draaien, dan hebben we in ieder geval iets.’ Ali gaf ons een rondleiding door zijn huis, daarna speelde hij piano en liet hij zijn zoontje lopen. En toen zei hij: ‘Ik ben zo terug.’

Hij ging weg?

Daar zaten we, met zijn drieën op de bank. Zijn vrouw was ergens anders in huis. We besloten ons maar gedeisd te houden. Het was in de tijd dat we alle drie nog rookten, maar het was raar om daar, in het huis van mensen die een ander geloof aanhingen, een saf op te steken. Dus dat hebben we niet gedaan, ook buiten niet. Na drie kwartier ging ik op onderzoek uit. Ik kwam erachter dat Ali bezoek had en niet gestoord kon worden. Ook kwam ik zijn vrouw tegen. ‘Zijn jullie er nog?’ vroeg ze. ‘Ja,’ zei ik, ‘we zitten daar in de kamer.’ ‘Willen jullie koffie?’ Toen ze koffie kwam brengen, zei ik weer tegen de cameraman: ‘Draai dit ook maar.’

Hoe lang zaten jullie daar, zo zonder Muhammad Ali?

Zeker twee uur lang. Toen kwam hij zeggen dat hij iemand moest ophalen van het vliegveld. Dat bleek Dr. Robert Starling Pritchard te zijn, een professioneel pianist [en voorvechter van de emancipatie van zwarten in de Verenigde Staten]. Wij gingen mee. Die Pritchard heeft in Ali’s huis ook nog piano gespeeld. Later heb ik Ali nog lang geïnterviewd, buiten op het grasveld. Daar speelde zijn tweeling – hij heeft negen kinderen, hè. Het was een van de eerste keren dat een journalist hem thuis filmde, met de kinderen erbij. Terug in ons hotel hadden we negen blikken film, ofwel negentig minuten, wat niet zo lang is. Daaruit heb ik 45 minuten gesneden voor de documentaire.

Had je aan het eind van je bezoek het idee dat je hem kende?

Nee, ja… Hoe ken je iemand? Op een gegeven moment weet je wat zijn grappen zijn, maar je kijkt nooit in de diepte bij zo’n man. Terug in ons hotel ontdekte de cameraman dat hij een opzetstuk voor het statief had laten liggen. Ik reed weer naar Ali’s huis, liep er omheen en trof zijn vrouw, die zei: ‘Ga maar naar binnen.’ Daar trof ik Ali, weer bezig met zijn bandrecorder, en hij keek me aan alsof hij me voor het eerst zag. Ik was just another white face, joh. Die man was toen al zo bekend, zo beroemd, die ontmoette zoveel mensen, bizar gewoon.

Denk je echt dat hij je alweer vergeten was?

Die indruk heb ik nog steeds. Voor zijn vrouw gold dat niet. In oktober 1973 bokste Muhammad Ali tegen Rudi Lubbers in Jakarta. Ik was bij dat gevecht aanwezig. Op een gegeven moment draaide ik me om, en wie stond achter mij? Mevrouw Ali. ‘Hey, Ruud ter Weijden!’ zei ze. Waarna we een gesprek hadden over de montage van het interview in Cherry Hill. Ik heb Muhammad Ali in mijn herinnering als een man die gewoon wat voor zich uit zit te kijken, die het leven neemt zoals het is, apathisch bijna. Maar zodra er een foto- of filmcamera in de buurt komt, wordt hij wakker: ‘Hi!!’ Dat vond hij leuk. Hij was zéér mediabewust.

Het moet een wereld van verschil zijn geweest met het gesprek dat je in 1988 met hem voerde, toen hij al jaren niet meer bokste en leed aan de ziekte van Parkinson.

Dat was in een Hilton Hotel in een buitenwijk van Chicago, met Ali’s vrouw, van wie hij de babysitter had kunnen zijn [de zestien jaar jongere Yolanda Williams]. Ik vroeg hem: ‘Waar is je geld gebleven?’ Hij ging tekeer over rassendiscriminatie: alles wat wit was, was goed, en alles wat zwart was, was slecht. Wil je horen hoe hij sprak? Ik heb de documentaire voor me, ik zal het volume harder zetten. Luister, my friend.

[Door de hoorn klinkt – zwak, hees en krakerig – de stem van Muhammad Ali: ‘…allemaal blanke engelen. Als we kijken naar Miss World, zien we een blanke vrouw. Alles is wit.’]

Need I say more? Het was een crime om die man te interviewen. Hij sprak heel slecht. En dan waren ze op de achtergrond ook nog eens het ontbijt aan het afruimen. Ik wist dat hij ziek was, maar zo? Absoluut niet. Muhammad Ali met Parkinson – tja, zo kan het leven gaan.

Welke prijzen hebben je documentaires gewonnen?

De eerste, Muhammad Ali: Een dag met Muhammad Ali, won in 1973 de prijs voor de beste sportdocumentaire op een groot festival, de Internationale Sportfilmtage in Oberhausen. Die uit 1988, I’m the greatest: Mohammed Ali, 15 jaar later, won in dezelfde categorie de Gouden Ring op het Eurovisie-festival in Lausanne. En in 1989, in Italië, de eerste prijs op het Festival Internazionale di Cinema Sportivo in Turijn. Een gigantische beker was dat. Maar die heeft nooit een dubbeltje opgeleverd.

Dus dat je nog steeds een aardig bedrag opstrijkt voor je films, is niet waar?

Geld kreeg ik er toen niet voor, en dat is nu ook niet het geval. Die documentaires heb ik gemaakt toen ik in dienst was van de AVRO. Ze zijn dus in het bezit van de publieke omroep en op een gegeven moment verdwijnen ze in het archief. Als je dan geen afspraken hebt gemaakt over de rechten, zie je er niets van terug. Was ik verstandig geweest en had ik geweten hoe het de publieke omroep in de toekomst zou vergaan, dan was ik mijn eigen productiemaatschappij begonnen. Maar dat deed toen niemand.