Een ode aan regisseur Martin Scorsese en zijn film Hugo

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Regisseur Martin Scorsese laat zijn fantasie de vrije loop in Hugo, een prachtige en een tikje surrealistische ode aan het medium film.

Een van de vele redenen om Hugo te gaan zien is het beeld van een stoïcijns kijkende Doberman Pinscher die een badkuip deelt met zijn baasje. Dat baasje is Gustave, de streng besnorde en strak geüniformeerde beheerder van station Gare de Montparnasse in Parijs, en wordt gespeeld door de eveneens stoïcijnse komiek Sacha Baron Cohen, bekend van zijn creaties Ali G en Borat. De aanblik van die twee in die kuip is een van de vele visuele vondsten in deze tamelijk verpletterende film. Het begint meteen, als je als kijker boven Parijs zweeft en in één vloeiende beweging het Gare Montparnasse binnenvliegt en uiteindelijk, na met een stoomtrein te zijn meegereden en de hele hal van het station te zijn doorgevlogen, oog in oog komt met het weesjongetje Hugo Cabret dat zich verschuilt achter het cijfer vier in de enorme stationsklok.

Het is ergens in de jaren 20 of 30 van de vorige eeuw en Gare Montparnasse is een gigantisch en kathedraal-achtig gebouw; het originele station en niet het monster dat er eind jaren 60 voor in de plaats is gezet. Hugo woont in de labyrinten die zijn verstopt in de muren van het station en bewaakt daar de mechanieken van de grote stationsklokken, die hij draaiende houdt sinds zijn vader, de meesterklokkenmaker monsieur Cabret (Jude Law), is gestorven. Hugo probeert uit het vizier te blijven van beheerder Gustav en zijn hond Maximilian want weeskinderen worden in dit station onherroepelijk bij de kraag gevat en in een kooi naar het weeshuis afgevoerd, zeker als ze voortdurend voedsel stelen, zoals Hugo. En tandwieltjes en andere mechanische onderdelen, die Hugo pikt van ene George (Ben Kingsley), een oude en bittere handelaar in speelgoed die een winkeltje heeft in het station. Vermoedelijk heeft Hugo die nodig voor het onderhouden van zijn klokken, denk je eerst, totdat duidelijk wordt dat Hugo’s vader hem een ‘automaton’ heeft nagelaten, een mechanische man die je kunt opwinden en die dan op een vel papier gaat schrijven – een postume boodschap van zijn vader, denkt Hugo – als je hem tenminste kunt repareren. Deze mysterieuze robot is een van de vele raadselen waarmee Scorsese (regisseur van meesterwerken als Taxi Driver en Goodfellas en het nu in de bioscoop draaiende katholieke epos Silence) je om de oren gooit in Hugo.

Meteen is duidelijk dat het station en dit verhaal een op zichzelf staande wereld zijn, een microkosmos vol met excentrieke figuren en wonderlijke mechanische apparaten – er is geen film waarin zoveel tandwielen te zien zijn als deze – die zijn geheimen niet snel prijsgeeft. Het eerste uur is nog totaal onduidelijk waar deze film heen gaat: je kijkt wel je ogen uit en bent geïntrigeerd, maar waar gaat dit over?

Het antwoord is, uiteindelijk, over film. Hugo is een film over een van de eerste grote filmmakers en de held van Martin Scorsese: de Fransman Georges Méliès. Van oorsprong een goochelaar, later een wereldwijd vermaarde filmpionier die begin 20ste eeuw in totaal zo’n 500 korte en langere films maakte totdat hij jammerlijk failliet ging en speelgoed begon te verkopen in een winkeltje in Gare Montparnasse. Ook als je nog nooit van hem gehoord hebt, ken je vermoedelijk het beroemde beeld van het met slagroom overdekte gezicht van de vriendelijk glimlachende maan die een raket in het rechteroog krijgt. Le Voyage dans la Lune is Méliès’ verfilming van het boek van Jules Verne en was in 1902 een van de eerste sciencefiction films én een van de eerste films die gebruik maakten van trucages. Méliès was zowel technisch als inhoudelijk een innovatieve pionier en Hugo is een ode van filmmaker Scorsese aan zijn Franse vakbroeder van honderd jaar eerder, gegoten in de vorm van een fictief verhaal over het weesjongetje Hugo dat langzaam op het spoor komt van de eerdere carrière van de verbitterde speelgoedhandelaar George op het Gare Montparnasse.
Hugo mag dan fictief zijn, veel van de rest van het verhaal is dat niet. Alles wat in de film beweerd wordt over Méliès klopt. Hij was inderdaad de bouwer van een automaton, hij verbrandde in een vlaag van woede inderdaad al zijn rekwisieten en het celluloid van vele kopieën van zijn films werd inderdaad uiteindelijk omgesmolten tot materiaal waaruit schoenhakken werden gemaakt. En hij leidde een kommervol bestaan als speelgoedhandelaar op het station alvorens hij later in zijn leven werd herontdekt en geëerd – hoewel hij wel straatarm bleef. En de trein die zich door de gevel van het station boort? Echt gebeurd.

Scorsese heeft in Hugo een aantal hoogtepunten van Méliès werk opnieuw geënsceneerd om een idee te geven van hoe Méliès’ studio eruit heeft gezien en hoe hij zijn acteurs regisseerde en zijn uitzinnige decors maakte. Het is leuk om die oude films in een nieuw licht te zien en het is ronduit fantastisch hoe Scorsese alle moderne middelen uit de kast haalt om deze oude geschiedenis te laten zien. Hugo is oorspronkelijk een 3D film maar ziet er ook in 2D en op een televisie nog geweldig uit. Het is terecht en passend dat een film over de uitvinder van filmtrucages een Oscar kreeg voor de beste visuele effecten, want die zijn tamelijk overdonderend. Ook de ontwerpafdeling verdient alle lof, want alle decors, kostuums en rekwisieten zijn met erg veel liefde gemaakt. Als ode is Hugo kortom zeer geslaagd. Wat vooral overheerst, is het gevoel van (film)liefde dat de makers duidelijk heeft bezield.
Scorsese’s liefde voor (oude) films gaat verder dan Hugo alleen: hij is initiatiefnemer van een project dat oude, kwetsbare celluloidfilms conserveert en restaureert, iets waarin ook het Amsterdamse EYE Filmmuseum een belangrijke rol speelt. Scorsese zelf is in Hugo heel even te zien, als de fotograaf die het echtpaar Méliès fotografeert. Een bescheiden optreden in een gelukkig verder onbescheiden weelderige hommage die je bijblijft, inclusief badende honden.

Hugo: 6 maart, RTL 8, 20:30 uur

Lees ook