Spijkers met koppen

Radio: de springplank Spijkers met koppen

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Uit het cabaret van Spijkers met koppen zijn veel grote namen voortgekomen. Wat maakt het radioprogramma tot zo’n geliefde springplank? En wat maakt een goede Spijkers-sketch?

‘Wij als VVD vinden dat wat er op de verpakking staat er ook in moet zitten. Dus er moet gewoon geen “vlees” op staan als dat er niet in zit.’
‘Nee, maar daarom staat er ook “vegetarisch” voor. Er staat bijvoorbeeld: “Vegetarische hamburger”, “vegetarische worst”…’
‘Dat is geen worst! Dus het moet niet zo heten! Het is geen worst!’
‘Ja.’
‘Géén worst!’
‘U windt zich hier enorm over op. Waarom is het zo belangrijk voor u?’
‘Het gaat mij om het principe. Wat erop staat, moet erin zitten. Erop, erin.’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Bijvoorbeeld. Bij mij thuis hangt er een naambordje bij de voordeur. Daar staan vier namen op. Die van mij, mijn twee dochters, en mijn man. Dat wat erop staat, zit erin! Als ik van huis ga, plak ik mijn naam ook netjes af. Want dan zit ik er niet in! Dat is toch normaal?!’

Luisteraars van het radioprogramma Spijkers met koppen hebben het al herkend: dit is typisch Spijkers-cabaret. Helma Lodders, het Tweede Kamerlid voor de VVD dat eerder deze maand pleitte voor een verbod op ‘vleesnamen’ voor producten waar geen vlees in zit, bevond zich niet écht tussen de radiomakers in café Florin in Utrecht, op die bewuste zaterdagmiddag tussen twaalf en twee. Dat was cabaretière Vera van Zelm. En haar gesprekspartner werd gewoon gespeeld door presentator Dolf Jansen, als zichzelf, de tekst voorlezend vanaf een papiertje. Zo is de formule van Spijkers met koppen, een mix van nieuws en cabaret, en zo is ze al eeuwen.
Dat wil zeggen: sinds 1988. In dat jaar schudde voorloper In de Rooie Haan zijn links-ideologische veren af en ruimde meer plaats in voor het cabaret, ten koste van politieke onderwerpen. De rubriek ‘De stamtafel’, waarin wekelijks een stel commentatoren de gebeurtenissen van de afgelopen dagen op de korrel namen, kreeg promotie. Een van de schrijvers van die rubriek was een jonge cabaretier die de omslag zou helpen vormgeven: Jack Spijkerman. Om hem vrij spel te geven, had het oude cabaret ontslag genomen. Een aantal leden keerden terug in de nieuwe opzet, maar er was ook vers bloed: Jeroen van Merwijk, Karin Bloemen, Coen van Vrijberghe de Coningh. Sindsdien laat het Spijkers-cabaret zich kenmerken door jonge talenten die een grote carrière in het amusement tegemoet gaan. Erik van Muiswinkel maakte er deel van uit, Diederik van Vleuten, Peter Heerschop, Viggo Waas, Joep van Deudekom.
En, niet veel later, Dolf Jansen. ‘Toen Jack mij benaderde, had ik één jaar eerder met Hans Sibbel de jury- en de publieksprijs gewonnen op het Leids Cabaret Festival,’ vertelt Jansen. ‘Wij waren beginnend en nog niet eens enigszins goed. Erik, Diederik, Jeroen en ook Ellen Pieters zaten er elke week en waren al veel beter en verder. Zij konden typetjes spelen, en hun tekstschrijven stond op een hoog niveau. Maar Jack wist dat ik een radiohart had, dat speelde mee.’ Geïntimideerd door al die kwaliteit verzon Jansen iets anders voor zichzelf. ‘Ik ben begonnen met mijn columnserie Vijf voor twaalf, waarin ik elke aflevering aftrapte met de woorden: “Het is vijf voor twaalf voor…” en dan het onderwerp. Dat was mijn eerste echte column op de radio.’

Wat is het toch dat Spijkers met koppen tot zo’n springplank voor talent maakt? ‘Het is een van onze uitgangspunten,’ antwoordt Margereth van Horen, eindredacteur van het programma. ‘Die springplankfunctie willen wij hebben. Wij zijn altijd op zoek naar cabaretiers die de actualiteit kritisch volgen, die meer bieden dan alleen maar vorm.’ Van Horen probeert zoveel mogelijk voorstellingen te zien. Naar de finale van het Leids Cabaret Festival en Cameretten gaat ze elk jaar, liefst met iemand die het genre niet goed kent, voor de frisse blik. En anders weten de Spijkers-cabaretiers of de cabaretcoach nog wel een collega. Wie wordt gevraagd en het wil proberen, mag drie keer meedoen, om te zien of het lukt. Is dat het geval, dan krijgt de cabaretier in kwestie een plek in de poule en komt hij of zij bijna wekelijks in actie, tot een andere uitdaging zich aandient. Van Horen: ‘Het verloop is groot, want soms gaan mensen naar televisie – denk aan de mannen van NUHR en aan Niels van der Laan en Jeroen Woe. Dan zijn we ze kwijt en moeten we op zoek naar anderen. Het zou zomaar kunnen dat we in het voorjaar vier nieuwe krachten hebben die instromen.’ Toch is enige vastigheid gewenst, zegt presentator Jansen. ‘Ik zou Spijkers met koppen niet graag als een doorgangshuis zien. ‘Het liefst werk ik met mensen die twee, drie, vier jaar bij Spijkers blijven. Wij willen namelijk elke zaterdag een heel goede uitzending maken.’
Dan moet hij in zijn nopjes zijn met Roel Bloemen, die al elf jaar deel uitmaakt van het Spijkers-cabaret. Bloemen kwam erbij toen hij nog met Leo Alkemade het koppel Alkemade & Bloemen vormde. Na een aantal avondvullende voorstellingen ging het duo ter ziele, en nu verdient hij de kost als tekstschrijver: zo schreef hij ‘bijna alles’ van de laatste show van Plien van Bennekom en Bianca Krijgsman en ‘veel’ voor die van Remko Vrijdag en Martine Sandifort. Kortom, als er iemand rondloopt die kan uitleggen welke leerschool het Spijkers-cabaret is, is hij het. Bloemen: ‘Op deze plek komt zoveel samen: spelen, bedenken, het schrijven van korte scènes. Dat zijn vaardigheden die je in heel veel andere disciplines kan gebruiken. Er komt een bepaalde techniek bij kijken. Een scène duurt ongeveer twee minuten en moet dan ook niet tien ideeën in zich dragen, maar één duidelijk idee. Je kunt geen scène maken waar mensen geen bal van snappen. Zeker niet omdat we voor publiek spelen.’ De uitdaging, vindt Bloemen, is om iets ingewikkelds terug te schrijven naar iets simpels. ‘Ik vind het mooi als luisteraars meteen doorhebben welk type er aan tafel zit – door bijvoorbeeld taalgebruik, of door de stem – en wat die persoon wil. Toen ik er net bij kwam, was cabaretier Bert Klunder hier de coach. Hij zei: “Roel, het cabaret is eigenlijk gewoon een poppenkast.” Dat klinkt simpel en dommig, maar ik vind het nog steeds heel goed inzicht.’ Het maakt het schrijven van een scène heel anders dan het schrijven van een column voor het programma. ‘Meestal zijn het stand-up comedians die de columns schrijven. Daarbij gaat het meer om het verkondigen van je eigen mening – een totaal andere wereld. Een supergoede columnist van ons heeft eens geprobeerd om sketches te schrijven, maar dat werd een ramp. Wat ik zo leuk vind aan scènes, is juist dat je je kunt verplaatsen in een personage dat het tegenovergestelde vindt als jij.’

Elke zaterdagochtend nemen drie cabaretiers een op de actualiteit geschreven scène mee naar Utrecht. Die worden rond tienen gelezen en besproken, met coach en cabaretregisseur Floris van Delft erbij, presentator Jansen en cabaretière Hanneke Drenth, die aan het slot van de uitzending het satirische Spijkerlied zingt. Waar gaat een scène over? Werken de types? Is het niet te absurd? Is er een eindgrap nodig? Om kwart voor elf zijn twee van de drie sketches uitverkoren, die vervolgens dienen te worden herschreven, waarbij het meestal Van Delft is die de knoop doorhakt. Ook krijgt het Spijkerlied zijn vorm. ‘De meesten houden van die druk en kunnen het aan,’ zegt Jansen. ‘Er is dan ook geen nooduitgang. Het moet er zijn om twaalf uur.’
Immers, dan gaan de lijnen open en is het programma rechtstreeks te horen vanuit een doorgaans bomvol café Florin. Het publiek houdt je scherp, stelt Spijkers-cabaretier Tim Kamps. ‘Het is gelijk erop of eronder. Een scène wordt een soort voorstellinkje.’ Kamps prijst Jansen, die als presentator vaak een van de geschreven rollen voor zijn rekening neemt. ‘Dolf is een ontzettend goede aangever. Hij scoort, want hij is grappig, maar tegelijkertijd stelt hij zich dienstbaar op.’ Toch wil hij graag verrassen, stelt Jansen zelf. ‘Ik hou ervan om een pauze net iets langer te rekken. Als ik met Tim speel, zie ik hem soms met opgesperde ogen naar mij kijken: shit, wat doet hij nou? Dan is de tekst niet anders, maar ik time anders. Ik verklooi nooit een scène. Alleen: soms wordt het nog leuker als ik flexibel met het script omga.’ Niet alles werkt. De ene keer is een bedachte situatie zo absurd, dat de mensen in het café afhaken en er niet meer gelachen wordt. De andere keer valt grove taal verkeerd. Wat daarentegen opvallend goed kan uitpakken, is verkleden, hetgeen nogal opmerkelijk is voor een radioprogramma. Kamps: ‘We hadden eens een stuk over het boerkaverbod, waarbij twee van ons daadwerkelijk in boerka aan tafel verschenen. Het is radio, maar toch voelde je als luisteraar dat er iemand in boerka zat.’

Aan het eind van het verhaal is er dan nog het loopje. Zijn de cabaretiers klaar met hun scène, dan moeten ze af, en dat kan alleen door van de tafel aan de ene kant van het café naar de andere kant te wandelen, langs alle toeschouwers. ‘Het kan gewoon oké gegaan zijn,’ zegt Kamps, ‘en da’s leuk. Maar het kan ook heel goed gegaan zijn. Dan loop je alle mensen langs, en zie je Margereth zitten, die haar duim omhoog steekt.’ En als het niet goed is gegaan? ‘Dan moet je dwars door het café, langs iedereen, terug naar de schrijfkamer. Afdruipen. De sfeer is altijd goed, hoor. Maar ook dat komt wel eens voor.’

NPO Radio 2, 21 januari, 12:00 uur