Jeroen van Koningsbrugge over zijn carrière

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Dat alles hem lijkt te lukken, hoort hij niet graag. Jeroen van Koningsbrugge was ooit zo wanhopig dat hij overwoog banketbakker te worden.

Dat alles hem lijkt te lukken, hoort hij niet graag. Jeroen van Koningsbrugge (Roosendaal, 1973) was ooit zo wanhopig dat hij overwoog banketbakker te worden.

Hamlet (1997)

‘Mijn toenmalige vriendin had me aangemeld voor de toneelschool in Maastricht. Buiten mijn weten om, want ik was bezig met muziek, ik zong in een band. Ik werd aangenomen, maar na een jaar stuurden ze mij weg, omdat ze mij te gevormd vonden. Toen verhuisde ik naar Amsterdam, waar ik in een kledingzaak ging werken. Ik had geen idee wat ik met mijn leven aan moest. Op een avond ben ik bijna huilend in slaap gevallen. Ik was 24, voelde me te oud voor een toneelopleiding. Banketbakker worden, dat was een serieuze optie. De volgende dag werd ik gebeld door Harpert Michielsen, met wie ik in Maastricht op school had gezeten. Hij speelde in Amsterdam in Hamlet van Theu Boermans en belde mij om te zeggen dat ze nog figuranten nodig hadden. Een half uur later zat ik tegenover Boermans. Hij kon me niet betalen, maar dat maakte me niet uit. Overdag werkte ik in de kledingzaak, van half acht tot twaalf ’s avonds was ik in het theater te vinden. Ik speelde een toneelspeler die mocht meedoen met Hamlet. Ik was een bewaker, zonder tekst. Na drie weken gaf Theu mij een zin. Ik dacht: als ik een zin krijg, dan wil ik ook dat die effect sorteert. In een van de scènes werd ik het paleis van de koning uitgestuurd. Ik liep weg, draaide me om, keek Jacob Derwig aan, die Hamlet speelde, wachtte net te lang, en toen zei ik, veel te theatraal: “Wij komen hier nooit meer terug!” Logisch, want ik werd weggestuurd. Daar kreeg ik elke avond een lach op. Theu begreep er niets van. “Die zin is helemaal niet grappig,” zei hij. Hij was geïntrigeerd. Daarna gaf hij me nog een zin, en nog een zin. Voor het eerst dacht ik: dit werk lijkt me wel wat. Tegen het eind van het seizoen deed ik auditie aan de Amsterdamse Kleinkunstacademie, en werd aangenomen.’

Baantjer (1999)
IC (2002–2006)
‘Na drie jaar studeerde ik af, maar ik kreeg geen diploma. Met de artistiek leider van de kleinkunstacademie, Ruut Weissman, had ik afgesproken dat ik klussen buiten de opleiding mocht aannemen, maar daar wisten de mensen die de diploma’s toekenden niets van. Ik was amper op school geweest, luidde de kritiek. En toen zat ik ineens met een schuld van 30.000 euro. Het conflict is inmiddels bijgelegd, maar een diploma heb ik nooit ontvangen. Ik draag nog steeds driehonderd euro per maand af. Ik weiger om die studieschuld in één keer af te betalen. Een van de dingen die ik tijdens de opleiding heb gedaan, is Baantjer. Daarna heb ik drie jaar de televisiedramaserie IC gedaan. Dat was een fantastische leerschool: kijken hoe de camera werkt, hoe moet je staan, licht, geluid… Als een spons zoog ik alle kennis op.’

Citroën-reclame (2003–2006)
‘Mattias Schut, een van de oprichters van productiemaatschappij CCCP, regisseerde elk jaar een reclamespot voor Citroën. Daar zat één personage in, waarvoor hij de naam van steeds een andere oud-klasgenoot gebruikte. “Wil jij er niet eentje doen?” vroeg hij me. Dat zag ik wel zitten, en ik wilde de naam van mijn goede vriend Dennis van de Ven gebruiken. De tv-reclames werden zo’n succes, dat ik er in zeven of acht heb gespeeld, en in een stuk of vierhonderd radiocommercials. Dennis, die als redacteur bij CCCP werkte, nam op een gegeven moment de telefoon alleen nog maar op met zijn voornaam, want als hij ook zijn achternaam noemde, kreeg hij als reactie steevast: “Hééé! Dennis van de Ven van Citroën!” Ik had Dennis ontmoet tijdens mijn jaar in Maastricht. Daar volgde hij de regieopleiding. Ik hoorde dat er op het Vrijthof een uitvoering zou komen van Jesus Christ Superstar. Dat is mijn lievelingsrockopera, dus toen ik vernam dat ze geen Judas konden vinden, zocht ik de regisseur op, Joost Horward. “We zoeken een zanger,” zei Joost. Ik antwoordde: “Ik bén een zanger.” “Nee, jij bent eerstejaars toneelschool, en jij wil graag acteren.” Een maand later probeerde ik het weer, maar hij geloofde me niet. Op school zong ik dan maar nummers van Judas. Mijn klasgenoten werden gek van mij. In een tussenuur zijn ze met zijn allen naar Joost gegaan, toen hij op school aanwezig was. Laat Jeroen in godsnaam auditie doen voor die rol, smeekten ze hem. “Dat is goed,” zei hij, “maar dan ook nú.” Ik liep met hem mee naar buiten. Twee deuren verder bleek de dirigent te wonen. Die ging binnen achter zijn piano zitten en vroeg: “Welk nummer?” “Ik ken ieder nummer,” antwoordde ik. Wat een patser, zag ik Joost denken. De dirigent zette ‘Heaven on their minds’ in, en na twee zinnen van mij stopte hij. “Hém wil ik.” Ik kon het niet laten om tegen Joost te zeggen: “Zie je nou.” Tijdens een repetitie onder de kerk op het Vrijthof zag ik een jongen in een groep staan. Iedereen om hem heen stond te lachen. Ik dacht: dat moet een grappige jongen zijn. Het was Dennis, die een kleine rol had in Jesus Christ Superstar. Toen we aan de praat raakten, klikte het meteen. We hebben dezelfde achtergrond.’

Nieuw Dier (2006)
‘Dennis en ik hadden in 2000 een theatervoorstellinkje gemaakt, omdat we wilden meedoen aan cabaretfestival Cameretten. Al na één ronde werden we eruit geflikkerd. Mattias Schut had ons op de kleinkunstacademie bezig gezien en vond ons materiaal iets voor televisie. Hij stelde voor om een proefaflevering te maken. Dat werd Nieuw dier, een sketchprogramma met Erik Whien, Sieger Sloot, Dennis en ik. Alle omroepen hebben het afgewezen. Pas na drie jaar kocht Talpa het, de zender van John de Mol. Toen die zender ophield te bestaan, ging Nieuw dier naar RTL, waar het veel meer kijkers scoorde, en op internet is het tenslotte echt ontploft. De sketch met ‘Kip, het meest veelzijdige stukje vlees’ [waarin Van Koningsbrugge die ene leus maar niet kan onthouden, red.] had ik ooit opgeschreven, maar niemand geloofde dat ze grappig zou zijn. Ook niet als ik het voordeed. Ik werd zo boos, dat ik heb uitgeroepen: “Dit is het eerste wat we gaan draaien, op de eerste draaidag!” Teleurgesteld ging iedereen akkoord. Tijdens de opnames liep de halve crew naar buiten. Ze moesten huilen van het lachen.’

Draadstaal/ Neonletters (2007–heden)
‘De VPRO vroeg aan Dennis en mij of we het tijdslot van de geflopte Spek & bonen show [voorheen De staat van verwarring, met Ronald Snijders en Pieter Jouke, red.] wilden overnemen. Dat werd Draadstaal: actueel en humoristisch, dertien weken lang, soms midden in de nacht. Het tweede seizoen programmeerden ze op het klassieke Van Kooten & De Bie-tijdstip, op zondagavond, na het Achtuurjournaal. Een droom. Vijf seizoenen zijn geproduceerd door CCCP. Dat liep niet altijd even goed, dus wij kondigden aan dat we het programma voortaan zelf wilden produceren. Voor we het wisten, zaten we in een rechtszaak verwikkeld.’ Vanwege een loyaliteitsclausule in zijn contract met CCCP mocht Van de Ven alleen tegen betaling van 50.000 euro elders programma’s maken. Daarnaast oordeelde de rechter dat de personages uit Draadstaal eigendom bleven van CCCP. ‘Dennis en ik waren hartstikke druk met de tournee van ons theaterduo Jurk!. Daar kwamen nu allemaal advocaten bij. We hadden geen zin meer om ook nog eens dat nieuwe programma zelf te produceren. Gelukkig bood John de Mol aan om ons te helpen en met Talpa de productie te doen, voor peanuts. De VPRO wilde echter niet met John de Mol in zee, want dan zouden leden gaan opzeggen. Daarom hebben we de opvolger van Draadstaal, Neonletters, voor de AVRO gemaakt.’ Het conflict bleef sudderen. Talkshow De Wereld Draait Door ondernam op 26 september 2011 een lijmpoging door Van Koningsbrugge en Van de Ven aan tafel uit te nodigen met Eelco Keune van CCCP. Voor de camera leken beide partijen tot een akkoord te komen, maar ook dat leidde uiteindelijk tot niets. ‘Ik was er helemaal klaar mee. Op een avond zat ik thuis foto’s van Mattias, Eelco, Dennis en mij te bekijken. Tien jaar lang waren we de beste vrienden. Ik belde Mattias, nadat ik hem over de telefoon een foto had gestuurd van ons in Parijs. “Wat hebben we kapotgemaakt?” vroeg ik. “Ben je thuis? Dan kom ik langs, met een heel mooie fles whisky, en ik laat mijn ego hier achter.” Tot vier uur ’s nachts hebben we bij hem thuis sigaren gerookt, die fles leeggedronken, over alles gepraat. Er bleken kanten aan het verhaal te zitten die zij niet kenden – zo dachten zij dat wij vanaf dag één met John de Mol in zee wilden – maar er waren ook dingen die wij stom hadden aangepakt. De volgende dag belde ik Dennis op, om te zeggen dat ik met Mattias had gesproken. We zijn met zijn drieën uit eten gegaan, en aan het eind van de avond concludeerden we dat we Draadstaal weer gingen maken. De VPRO wilde het programma niet meer terug, dus bleven we bij de AVRO. Binnenkort beginnen we met het negende seizoen. Of er iets betaald is? Nee. Het ging niet om geld. We hebben een Draadstaal-BV opgericht waarvan ieder voor een even groot deel eigenaar is, en van daaruit maken we het programma. CCCP produceert het weer, maar nu in dienst van de BV. Dat werkt véél beter.’

De Lama’s (2007–2008)
‘Ik sprak Ruben van der Meer en Tijl Beckand toen zij kwamen kijken naar de opnames van Kannibalen, een nieuw improvisatieprogramma van BNN, waar ik in zat. Ze wilden mij als nieuwe Lama. Ik zei: “Maar jullie hebben toch dat programma lopen, Lama gezocht?” Dat klopte – al wisten zij als Lama’s niet eens dat die talentenjacht er zou komen – maar ze wilden mij in elk geval hebben, en de winnaar van Lama gezocht ook. Dat werd Ad-Just Bouwman. Cabaretier Jandino Asporaat kwam er ook nog bij. Uiteindelijk ben alleen ik overgebleven. Daar voelde ik me wel even schuldig over. Ik had geen auditie gedaan, Ad-Just wel. Maar ja, daar kon ik ook niks aan doen. Ad-Just was de beste, maar hij paste kennelijk niet in de groep. In het Posttheater in Arnhem, waar we De lama’s speelden, merkte ik aan het publiek dat ik niet zomaar werd geaccepteerd. Dat heeft nog een week of vijf geduurd.’

Ik hou van Holland (2008–heden)
‘Als teamcaptain van Ik hou van Holland was ik ineens én VPRO, én BNN, én RTL 4. Links, bijdehand, en commercieel. Hij heeft zijn ziel verkocht, schreven de kranten. Die kritieken verstomden na twee weken, want geen kijker trok zich er wat van aan, en er kwamen alleen maar kijkers bij. Een miljoenenpubliek. Er ontstond een kruisbestuiving tussen omroepen die niets met elkaar te maken hadden. Dat heb ik drie, vier jaar volgehouden. Ik kan niet uitleggen waarom ik zo’n breed publiek aanspreek. Ik hoop dat het is omdat ik mezelf ben. Ik reageer op wat ik hoor, zonder filter. Nee, ik voel me niet méér thuis op de ene of de andere plek. Ik geloof niet in omroepen. Als mensen een programma leuk vinden, dan kijken ze ernaar, waar het ook te zien is.’

Ik hou van Holland: Oud & Nieuw, RTL 4, 31 december, 22:00 uur.

Jeroen In California - Songs of life (2016)
‘Mijn eerste eigen productie. Heel spannend. Ik was verantwoordelijk voor het hele budget, en alle technici heb ik zelf moeten halen. Dat geregel vond ik leuker dan ik dacht. Op een woensdagavond, tegenover Tussen kunst & kitsch en de Champions League, keken er ongeveer 700.000 mensen naar. Dat vond ik heel wat voor een muziekprogramma, maar voor RTL was het niet genoeg, dus het blijft bij één seizoen. Het is niet zo dat mij alles lukt. Ik heb genoeg projecten gedaan die zijn geflopt: de comedyserie Sprint bij BNN, Beat the best op RTL. Dat vergeten mensen weer. Het is soms alsof ze hopen op een mislukking. Trouwens, ik vind Jeroen in California helemaal geen flop. Ik heb de afgelopen vijftien jaar nog nooit zoveel positieve reacties gekregen op een programma als hierop.’

Riphagen (2016)
‘Tien jaar geleden zijn we begonnen. Regisseur Pieter Kuijpers was er toen al een decennium mee bezig. Ik kwam bij hem langs voor een auditie voor zijn film Dennis P., en zag het boek liggen over Dries Riphagen, de Amsterdamse crimineel en collaborateur uit de Tweede Wereldoorlog. Ik heb het meegenomen, gelezen en de volgende ochtend belde ik Pieter op. “Dit is een miniserie, of drie speelfilms,” zei ik. Ik vond dat het bij de VPRO paste en nam contact op met mensen daar. Twee dagen later gingen we uit eten, en handjeklap: we gingen het maken. Door perikelen met onder meer financiering duurde het vervolgens negen jaar voor we daadwerkelijk op de set stonden. Het is oorspronkelijk een serie, van drie keer vijftig minuten. Tijdens het draaien werd duidelijk dat het ook een film kon worden, en gek genoeg kwam die film eerder uit. Voor het eerst ben ik creative producer. Ik wist niet eens dat zoiets bestond. Ik heb me overal mee bemoeid: het script, casting, de vormgeving, noem maar op. Of ik ooit ga regisseren? Dat heb ik hier en daar al eens gedaan, dus ja, dat lijkt me heel leuk. Dat is zeker wel een plan.’

Riphagen, NPO 3, 1 januari, 20:25 uur.

Lees ook