Filmweek Arnhem

Hoe de Europese première van Jaws (én Star Wars!) in Arnhem belandde

· Door

Facebook Twitter WhatsApp

Als eerste filmfestival van Nederland verrichtte de Filmweek Arnhem belangrijk werk – zo vond er de première van Star Wars plaats. Toch ging het festijn ten onder, aan een achterhaalde formule én de ligging van de stad.

Ze waren allemaal komen opdraven: Mark Hamill (Luke Skywalker), Carrie Fischer (prinses Leia), David Prowse (Darth Vader) en Peter Mayhew (Chewbacca). Zelfs de twee robots R2-D2 (die kleine) en C-3PO (die gouden) gaven acte de présence, in de nabijheid van producent Gary Kurtz. De rode loper was uitgerold, een fanfare speelde. Voor haar Europese première was de Amerikaanse bioscoopsensatie Star Wars in 1977 nergens anders neergestreken dan in Arnhem, in bioscoop Rembrandt aan het Velperplein. De Filmweek kon beginnen. Filmweek? Tja, nog maar weinigen zijn bekend met het eerste internationale filmfestival van Nederland, dat van 1955 tot 1983 in de Gelderse hoofdstad plaatsvond. Daar bestaan verschillende redenen voor. Het festijn rond Star Wars – toen overigens gewoon een grote film, en nog lang niet de aanzet van een legendarische, cinematografische reeks – illustreert er één van, maar daarover later meer.

Je cookie-instellingen zorgen ervoor dat je dit deel van de website niet kunt zien.

Wijzig hier je cookie-instellingen

Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden overal in Europa filmfestivals, bedoeld om het culturele leven weer een impuls te geven. Het festival van Cannes startte in 1946, dat van Berlijn in 1951. Nederland kende vanaf 1947 het Holland Festival, maar daar ging het om de podiumkunsten. Meer aandacht voor de cinema was gewenst, vonden de Nederlandse bioscoopexploitanten. Als onderdeel van het Holland Festival zetten zij in 1955 de Internationale Filmweek Arnhem op poten. Dat voor Arnhem was gekozen, lag aan ‘het wakkere bestuur dezer gemeente, hetwelk […] onbevooroordeeld de film als bron van ontwikkeling en ontspanning tegemoet treedt.’ Het citaat staat opgetekend in 100 jaar branchevereniging van bioscopen in Nederland, het jubileumboek van de Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters (NVBF) dat afgelopen februari verscheen. Harry Peters, programmeur van het Vlissingse filmfestival Film by the Sea en eerder werkzaam als programmeur van Cinekid en als filmdistributeur, schreef het hoofdstuk over Arnhem. De Filmweek was bedoeld voor de leden van de bioscoopbond, zegt hij. ‘Alles draaide om de vragen: wat is er beschikbaar en wat gaat straks in de bioscoop draaien?’ Illustratief daarvoor was het feit dat films als handelswaar werden gepresenteerd. Zo gold La strada, een van de films die tijdens de eerste jaargang te zien waren, niet als het werk van regisseur Federico Fellini, maar als een product van Standaard Film, dat de rolprent uitbracht. ‘De Filmweek was geen graadmeter van nieuwe, opmerkelijke trends in de internationale cinematografie. Er werden ook geen prijzen uitgedeeld. Het ging om voorpremières. Daar kun je badinerend over doen, maar als je zo’n formule met goede films invult, is er niks op tegen.’

Frans Weisz krijgt de staatsprijs voor filmkunst van minister Vrolijk. Credits: ANP

De eerste editie van de Filmweek vond plaats van maandag 27 juni tot en met zaterdag 2 juli 1955. Veel van de vertoonde films waren een maand eerder al in Cannes te zien geweest. Marty (Delbert Mann, 1955) had de Gouden Palm gewonnen en ook East of Eden (Elia Kazan, 1955) was in de prijzen gevallen. Actrice Giuliette Masina uit La strada deed Arnhem aan, net als film noir-regisseur Yves Allégret. Verder vonden congressen en vergaderingen plaats en was een tentoonstelling ingericht over de zestigjarige geschiedenis van de filmkunst. Aldus ontstond een traditie waarbij elke twee jaar in juni films werden vertoond die, in verband met de commerciële belangen, liefst kort na het festival het reguliere bioscoopcircuit in stroomden.

Hoewel ‘Arnhem’ zich op de internationale film richtte, ruimde de Filmweek steevast een dag in voor Nederlandse regisseurs en hun werk. Het was in dat kader dat filmmakers Pim de la Parra en Wim Verstappen in 1973 voor het eerst de ‘Pim en Wim Prijs voor filmkunst’ uitreikten – tóch een prijs dus – ter waarde van tienduizend gulden. Enkele jaren later groeiden de twee uit elkaar en verzonk de eerste Surinaamse bioscoopfilm Wan Pipel hun gezamenlijke productiemaatschappij Scorpio Films in diepe financiële problemen. Toen een berooide De la Parra in 1979 in zijn eentje in Arnhem verscheen om zijn nieuwste film Dirty Picture onder de aandacht te brengen, boden meelevende vrienden hem, onder de ludieke titel Pim-Zonder-Wim-Prijs, een bedrag van tienduizend gulden aan.

Regisseur Frans Weisz, van wie onder meer Heb medelij, Jet (1975) in Arnhem in première ging, kijkt met warme gevoelens terug. ‘Arnhem was pre-Utrecht, pre-Vlissingen, pre-alles. Het is een plek die voor mij zowel een positieve als een negatieve lading heeft. Ik zat op de toneelschool in Arnhem, waar ik na het eerste jaar weg moest, naar verluidt wegens gebrek aan talent. Ik kwam pas terug met de Filmweek, als regisseur. Dat heeft me gelukkig gemaakt.’ Weisz moet bekennen dat hij – ‘en dat is misschien geen compliment’ – zich weinig herinnert van de Filmweek, behalve de locatie. ‘Het Nederlands Filmfestival in Utrecht is goed voor me geweest, maar nergens heb ik met zo’n warm gevoel in de zaal gezeten als in Arnhem. Het was het eerste feestje dat we hadden. Jeugdsentiment, in alle opzichten.’

Pim de la Parra en Wim Verstappen krijgen de Pim en Wim Prijs. Credits: ANP

De festivalwereld stond niet stil. In afwisseling met de Filmweek Arnhem opereerde vanaf 1966, in de even jaren dus, de Cinemanifestatie in Utrecht. In de Domstad lag de nadruk niet op grote titels die de bioscoop toch wel zouden halen, maar op het werk van jonge filmmakers. De man achter de Cinemanifestatie, Huub Bals, verkaste in 1972 naar Rotterdam om een volgend festival op te zetten: Film International, dat films programmeerde die nog geen distributeur hadden. Het evenement verwierf in korte tijd groot aanzien en is de voorloper van het huidige International Film Festival Rotterdam (IFFR). In Utrecht werd de Cinemanifestatie in 1981 opgevolgd door de Nederlandse Filmdagen. Het initiatief van cineast Jos Stelling, dat zich uitsluitend richtte op de Nederlandse film, kennen we tegenwoordig onder de naam Nederlands Filmfestival (NFF).

In de ogen van menig bezoeker ontbrak in Arnhem toch steeds weer de allure. Peters herinnert zich het moment waarop de Franse acteur Patrick Dewaere (Les valseuses) een fotoboek van de gemeente Arnhem overhandigd kreeg. ‘Hij zei: “Wat moet ik hiermee?” En vroeg of ik het wilde hebben.’ Ook was er de Franse regisseur Daniel Duval (La dérobade), die in de Gelderse hoofdstad arriveerde en in woede ontstak omdat er geen methadonbus beschikbaar bleek te zijn. ‘Hij was stomverbaasd. Kennelijk had hij dat spul nodig. Uiteindelijk is er iets geregeld met de plaatselijke apotheek.’

De landelijke pers liep steeds minder warm voor de Filmweek. Randstedelijke verslaggevers koesterden een nauwelijks verholen dedain voor de stad, maar ook het commerciële aspect van het festival was hun een doorn in het oog. Filmblad Skoop blikte in 1979 spottend vooruit: ‘Exploitanten uit Apeldoorn en Eindhoven [draven] driftig met hun vrouwen heen en weer, zij voelen zich namelijk eens in de twee jaar het absolute middelpunt van filmend Nederland (…). Arnhem is geen echt festival, (…) Arnhem is een slaperige provincieplaats die node de honderden enthousiaste passe partout-houders mist die Film International telkens weer in een unieke heksenketel doen veranderen.’

Je cookie-instellingen zorgen ervoor dat je dit deel van de website niet kunt zien.

Wijzig hier je cookie-instellingen

Dergelijke berichtgeving viel in ‘Cannes aan de Rijn’ niet goed. De Arnhemse Courant en De Gelderlander sloegen regelmatig terug naar de concurrentie, zo stelt Janinka Kaebisch vast in haar vergelijkende scriptie Filmweek Arnhem en haar positie in het Nederlandse filmfestivalcircuit (2012), geschreven voor de Universiteit van Utrecht. ‘Zo vond men dat Film International plaatsvond in “de treurigste straat van Nederland” en dat het filmfestival het “meest ascetische filmfeest van de Lage Landen” was. Men was opgelucht dat de verschillende filmfestivals voorbij waren als de Filmweek zou beginnen, zodat alle ogen op één plaats gericht zouden zijn. Dit was terecht, volgens de Arnhemse pers, want de Filmweek had als eerste filmfestival van Nederland tenslotte de oudste rechten.’

Arnhem bleef inzetten op glamour – hoewel overigens in het Saskia-theater elders in de stad plaats werd ingeruimd voor de wat alternatievere film. Een kaskraker als Jaws kwam in 1975 naar de Rembrandt-bioscoop. De meest tot de verbeelding sprekende gebeurtenis echter was de Europese première van Star Wars, twee jaar later. Het sciencefictionsprookje van George Lucas was overzee een onverwachte hit en zou nog voor het einde van het jaar de best bezochte film aller tijden worden. Star Wars zou pas met Kerstmis in Nederland in roulatie gaan, maar toch besloot de Amerikaanse publiciteitsmachine om vier acteurs, twee robots en een producent naar het Arnhemse Velperplein te sturen. Op donderdag 13 oktober 1977 vond een persconferentie plaats in Hotel Bosch – gezien zijn locatie naast het Rembrandt een plek waar veel journalisten tijdens het festival verbleven. De bijeenkomst zou om drie uur ’s middags beginnen. Omdat filmjournalist Simon van Collem echter als eerste met de Amerikaanse gasten mocht spreken voor zijn tv-programma Simonskoop en daar geen pottenkijkers bij duldde, bleven de deuren drie kwartier gesloten voor het restant van de vaderlandse pers. Eenmaal binnen was te zien hoe de distributeur van Star Wars ‘er alles aan gedaan [heeft] om het gezellig te maken,’ schreef filmblad Skoop bij monde van S. Brilleslijper, een pseudoniem van Rogier Proper. ‘Een paar robotten uit de film staan in de persruimte opgesteld, drank en snacks zijn volop aanwezig.’ Het publiciteitsmateriaal rond de film, een opkomend fenomeen in de jaren 70, was ongekend. ‘Iedereen krijgt een Star Wars-draagtas cadeau met Star Wars-posters, een Star Wars-button (‘Moge de Kracht Met U Zijn’), de roman Star Wars, foto’s en biografieën van de makers en acteurs van Star Wars, en een dubbelelpee met de muziek uit Star Wars.’ Ook de acteurs vonden het wennen. ‘Een klein jaar geleden was ik niets en nu word ik de hele wereld rondgezeuld als het fenomeen van dit jaar,’ zei hoofdrolspeelster Carrie Fisher, nog maar negentien jaar oud, tegen De Telegraaf.

Om acht uur ’s avonds vond de galapremière plaats. Er waren meer notabelen aanwezig dan fans: leden van de bioscoopbond, de burgemeester van Arnhem, de Commissaris van de Koningin, maar ook Willeke van Ammelrooij en Bert Haanstra. Filmmagazine Schokkend Nieuws wist drie jaar geleden desondanks een zekere Egbert Hoogstad op te sporen, wiens moeder eindeloos had gebeld om kaarten te regelen. ‘De eerste twee rijen waren vrijgehouden voor “normaal” publiek,’ beaamde Hoogstad. ‘De rest van de bioscoop was gevuld met vips.’ Voor de vertoning van start ging, gaf een vrouwenstem via de luidspreker een samenvatting van de film, zoals gebruikelijk was – het begrip spoiler gold kennelijk nog niet als taboe. Harry Peters, die in de zaal zat, werd weggeblazen door wat hij aansluitend zag en hoorde. ‘Alleen al die credits van Star Wars, die titellijst die over het doek spatte, met de muziek van John Williams eronder, was spectaculair.’ Hoogstad, een vijftienjarige met een zwak voor hoofdrolspeelster Fisher, haastte zich na afloop naar boven om een foto van haar te maken met zijn amateurtoestelletje. Hij kiekte Fisher met een bos bloemen in de hand en… een fotoboek van Arnhem.

De Filmweek van 1977 zou de voorlaatste zijn onder auspiciën van de bioscoopbond. De blijvende kritiek vanuit de landelijke pers – die steeds minder aandacht aan Arnhem besteedde – deden de bondsleden besluiten om hun subsidie van 55.000 gulden in te trekken. Dankzij steun van de gemeente Arnhem en de provincie Gelderland werd de Filmweek nog tweemaal georganiseerd, in 1981 en 1983. Het festival veranderde van koers, stelde een onafhankelijk bestuur aan en zette in op nog onbekende cineasten, ten koste van de zo vertrouwde voorpremières. Het mocht niet baten. Treurig misschien, maar niet vreemd, vindt programmeur Peters. ‘Als je alleen films laat zien die eraan komen, bouw je als festival geen publiek op. Dat aanbod is te wisselvallig. Bovendien: wat zijn de inkomsten? De mensen hoeven niet te komen, omdat die films een maand later toch in de bios draaien. Nee, voor een filmfestival zit de ruimte aan de cinefiele kant. Door zelf films te kiezen, kun je een identiteit opbouwen. De formule van de voorpremières bleek uitzichtloos.’ In de vergelijkende scriptie van Kaebisch wordt duidelijk dat Arnhem niet met zijn tijd meeging. Vanaf de jaren 70 gingen filmfestivals opereren als beschermers van de filmische kunst, beschrijft ze. ‘Hoewel de meeste filmfestivals in Europa hun opzet reorganiseerden, bleef de commerciële Filmweek Arnhem op de oude manier doorgaan met uitbundige feesten en de nodige glamour op de rode loper.’

Overigens keerde, aan het einde van de jaren 80 en aan het begin van de jaren 90, het entertainment wereldwijd terug op de filmfestivals. Maar toen was het voor de Filmweek Arnhem al te laat.

https://www.youtube.com/watch?time_continue=1&v=7N0OPC2CjMw

Lees ook