Jean-Paul Belmondo

Het bewogen leven van de Franse superster Jean-Paul Belmondo

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

De dialogen uit zijn films hebben de tand des tijds niet overleefd, zijn kwajongensachtige bravoure wel.

‘Hypnotisch lelijk,’ noemde de Amerikaanse criticus ­Bosley Crowther Jean-Paul Belmondo, toen hij hem in À bout de souffle zag. In Jean-Luc Godards film uit 1960 speelt Belmondo een a-morele autodief, die in de ban is geraakt van een Amerikaanse studente in Parijs (Jean Seberg) en haar probeert over te halen met hem naar Italië te vluchten. À bout de souffle werd destijds – en nog steeds – als baanbrekend gezien. Het was de film die de Franse cinema, tot dan toe de ‘cinéma de papa’, voorgoed veranderde en Belmondo op de kaart zette.

Wat bij (her)zien van de film bijna zestig jaar na dato, vooral opvalt, zijn niet zozeer de geroemde jump-cuts en het grafische zwart-wit, noch het uiterlijk van Belmondo waarover ­Crowhter viel, als wel zijn uitlatingen tegen zijn love interest Patricia (Seberg). Een paar krabbels (met een heleboel uitroeptekens) op papier gezet tijdens het kijken: ‘Stil. Ik ben aan het denken,’ (als ze tegen hem praat). ‘Je weet niet eens hoe je je lippenstift op moet brengen. Je bent afschuwelijk.’ En: ‘Je had voorzichtiger moeten zijn’ (als zij hem zegt dat ze denkt zwanger van hem te zijn). Zo charmant als de film is – en Jean Seberg een plaatje in haar Bretonse streepjes – de dialogen hebben eerlijk gezegd de tand des tijds niet doorstaan. Het personage dat Belmondo speelt, mag dan zogenaamd door verliefdheid bedwelmd zijn, zijn gedrag is verre van aantrekkelijk en het is geen wonder (en zijn verdiende loon) dat ze hem op het einde van de film verraadt.

Lelijk is hij trouwens niet. Belmondo’s gezicht is wat je karakteristiek noemt, met een neus waarbij die van Gerard Depardieu vergeleken een wipneus is; lippen die je ‘vlezig’ zou noemen en ogen met zakjes (hij was 24 toen). Het is de kwajongensachtige bravoure die hem aantrekkelijk maakt.

In zijn jongensjaren wilde Belmondo bokser worden, maar de tuberculose die hem trof toen hij zestien was, maakte een einde aan die droom. Afkomstig uit een artistieke familie – zijn vader was de beeldhouwer Paul Belmondo die na de oorlog furore maakte met zijn kunst en tot op hoge leeftijd praktiserend kunstenaar bleef – was het niet gek dat Jean-Paul er toe kwam acteur te worden.

In 1952 werd hij toegelaten tot de prestigieuze Paris Conservatoire, maar de docenten daar hadden niet veel met hem op. Belmondo was geen intellectuele acteur, zijn acteren was fysiek en aards, een stijl die pas in de jaren 60 op waarde werd geschat. In het theater waar hij na zijn afstuderen terecht kwam, kwam hij niet tot zijn recht. Maar het was Belmondo die in de jaren 60 het laatst lachte: hij werd de lieveling van nouvelle vague-regisseurs (en voormalig Cahiers du cinema-critici) als Truffaut, Godard en Chabrol, maar werkte ook met Italiaanse filmmakers als Vittorio de Sica die hem tegenover Sophia Loren zette in La ciociara (1960) en met Philippe de Broca die hem koppelde aan Claudia Cardinale in de zwaard- en degenfilm ­Cartouche (1962).

Belmondo leefde inmiddels het leven van een filmster. Zijn huwelijk met zijn jeugdliefde en de moeder van zijn drie kinderen liep op de klippen toen hij op de set van de actiefilm Les tribulations d’un Chinois en Chine (1965, Philippe de Broca) bondgirl Ursula Andress onmoette met wie hij een relatie kreeg die zeven jaar zou duren. In die tijd speelde hij ook zijn beste rollen, waaronder die in Pierrot le fou (1965). Beschouwd als het meesterwerk van Godard is het tevens een van Belmondo’s spannendste rollen. In deze ‘cross country odyssee’ speelt hij de getrouwde Ferdinand (‘Ik was eenzaam, zij was beschikbaar’) die zijn Parijse vrouw verlaat om er met de babysitter (Anna Karenina) vandoor te gaan, met wie hij vijf jaar eerder een relatie had. Dit keer is de vrouw de a-morele partij: overal waar ze komt, vallen slachtoffers. Ferdinand – die ze steevast ‘Pierrot’ noemt, blijkt een dwaas: hij is verliefd, zij kan met hem doen wat ze wil en laat hem in de val lopen. Op het eind van de film zien we hem met een blauw geverfd gezicht en rode en gele staven dynamiet op zijn hoofd.

In de jaren 70 werd Belmondo wel vergeleken met king of cool Steve McQueen. Net als de Amerikaanse superster ging Belmondo er prat op al zijn stunts zelf te doen. In Peur sur la ville (1975, Henri Verneuil) hangt hij aan dakgoten, staat hij op het dak van een rijdende trein, hangt hij aan helikopters en vliegtuigen. Hij richtte een eigen productietak op, Cerrito film, vernoemd naar zijn Siciliaanse grootmoeder en vanaf die tijd staat zijn naam in vette kapitalen op de filmposters. Onder het motto: vergeet de critici, omarm het publiek, maakte hij commerciële films waar miljoenen bezoekers op afkwamen. Maar na succesnummers als de misdaadfilm Flic ou voyou (1979), de komische spionnenfilm Le guignolo (1980) en de stadse spaghettiwestern Le professionnel (1981, alle drie geregisseerd door Georges Lautner) en Le marginal (1983) was de rek er uit. Verzwikte enkels, een wond aan het hoofd: opeens raakte de acteur met zijn megalomane stunts uit de gratie en werden zijn films afgedaan als formule-films. Belmondo was inmiddels al ver in de veertig, zijn jongensachtige bravoure had zijn langste tijd gehad, zijn witte pakken zaten hem plotseling niet meer als gegoten.

De acteur trok zich een paar jaar terug en maakte eind jaren 80 zijn rentrée als theateracteur hetgeen hem geen windeieren legde: zowel zijn optreden in Kean (naar Jean-Paul Sartre) als in Cyrano de Bergerac waren succesvol. Waar hij in de jaren 50 nog weinig kon laten zien op het toneel, had hij nu wel de power en avond na avond kreeg hij staande ovaties. Een terugkeer in de film zat er niet echt meer in: behalve in Claude Lelouchs charmante film Itinéraire d’un enfant gâté (1988) waarin hij een succesvolle zakenman speelde die zijn eigen dood ensceneerde en zich terugtrok in een Afrikaans wildpark, om erachter te komen dat zijn geliefden (en zijn zakenimperium) hem meer nodig hadden dan hij altijd gedacht had. Het is een mooie, bijna aandoenlijke film waarvoor Belmondo zijn eerste en enige César won. De acteur zou vervolgens nog in negen films spelen, waaronder Les misérables, maar zijn hoogtepunt lag achter hem. Toch, als je hem in het openbaar ziet, zie je nog steeds die ondeugende lach waarmee hij destijds – en misschien nog steeds – alle vrouwen om zijn vinger wond. Het lijkt in de verste verte niet de man die zegt: ‘Stil. Ik ben aan het nadenken.’ 

Close up donderdag 26 april, NPO 2, 22:55 uur

Documentaire over het leven en werk van de filmster Jean-Paul Belmondo

Lees ook