Gooijer ziet: de theorie van creepy

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Wat maakt iets huiveringwekkend? De wetenschap probeert er een vinger achter te krijgen, de popcultuur weet het instinctief: als iets (misschien) niet is wat het lijkt.

Wat maakt iets huiveringwekkend? De wetenschap probeert er een vinger achter te krijgen, de popcultuur weet het instinctief: als iets (misschien) niet is wat het lijkt.

Zelden heb ik iemand instinctief zo goed begrepen als de in het roze gestoken peuter op de foto bij het essay ‘A theory of creepiness’ van professor David Livingstone Smith. De situatie: haar ouders hebben haar vastgesnoerd in een karretje en douwen haar bijna rechtsreeks in de muil van een ontstellende horrorfiguur. Let op dat afwerende handje. En terwijl iedere vezel in haar lijf ‘rot op! rot op!’ schreeuwt, doet haar moeder achter haar rug alsof het kind deze situatie eigenlijk ontzettend leuk zou moeten vinden. Het ene moment zit je comfortabel om je heen te kijken en aan ijs te denken, het volgende word je verraden door de wereld die je zo goed dacht te kennen, doordat die verandert in een helemaal foute parodie op zichzelf.

De ongerijmdheid van de Mickey Mouse, die voorheen alleen op het scherm of het papier bestond maar nu in het wild blijkt voor te komen, is afschuwelijk voor het kind. Is het een mens of een muis? Is het een levend wezen of een pop? In het lezenswaardige essay over waarom we iets huiveringwekkend vinden, maakt Livingstone Smith terecht onderscheid tussen ‘overzichtelijk eng’ als in ‘ik word achternagezeten door een beer / bungel boven een ravijn’ en ‘unheimlich eng’ als in ‘bewoog die steen net uit zichzelf of niet?’. Uit door hem geciteerd onderzoek blijkt dat clowns en mensen die poppen verzamelen hoog scoren als mensen wordt gevraagd ‘creepy’ dingen op te noemen – iets wat Hollywood ook heel goed weet. En dat uit onzekerheid over of iets leeft of niet leeft, of het is wat het lijkt te zijn, inherent huiver voortkomt, een soort geestelijke verlamming die we als bedreigend ervaren. Zijn hypothese is kortom dat horror ligt in ongerijmdheid en ambivalentie.

Livingstone Smith somt in zijn artikel tal van unheimliche popculturele voorbeelden op – bezoek na het lezen de categorie horror van Netflix voor meer praktijkvoorbeelden – en noemt ook de theorie van de ‘uncanny valley’: het punt waarop een robot of pop zoveel lijkt op een mens dat het kleine verschil dát er nog is, ineens een onoverkomelijk obstakel wordt. Bijna echt, en daardoor juist onecht en doodeng. Door de uncanny valley zou een pretpark als Westworld in werkelijkheid mogelijk niet werken: je schiet die robots liever niet dood omdat ze teveel op mensen lijken en je wilt er liever geen seks mee omdat ze net te weinig op mensen lijken.

Voor het meisje op de foto is pretpark Disneyland in elk geval goed verpest vanaf nu; er moet heel veel ijs aan te pas komen wil ze dit haar ouders ooit vergeven. Bij nadere beschouwing is het bizarre roze dienstmeisjes-outfitje waarin diezelfde ouders het arme schaap hebben gestoken, trouwens ook een uitstekend voorbeeld van ‘creepy’. Dat worden dure sessies bij de psychiater later.