De extreme uitdagingen van Beau van Erven Dorens

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Presentator Beau van Erven Dorens gaat in Beaufort zes extreme uitdagingen aan. Van solo-zeilen tot overleven in de jungle. Drie hachelijke dagboekfragmenten.

Presentator Beau van Erven Dorens gaat in Beaufort zes extreme uitdagingen aan. Van solo-zeilen tot overleven in de jungle. Drie hachelijke dagboekfragmenten.

Aconcagua (Argentinië), eind januari 2016 / 6100m / 03:00AM / -25 °C 

Ik lig op mijn rug in de sneeuw en het is pikdonker op de berg. Mijn lichaam is van pap. In mijn hoofd speelt een orkest. De schimmen van mijn vier medeklimmers dansen in het licht van mijn hoofdlamp. Ik pruttel dat het niet goed met me gaat. Expeditieleider Arnold Coster maant me overeind te komen. Het is te koud om in de sneeuw te liggen, zegt hij, en als we de top willen halen, dan moeten we nu doorzetten. Ik weet het, écht, en ik wil het, écht, maar ik voel me zó beroerd. De paar uur die we vannacht in de tent hebben doorgebracht, op het plateau op 6000 meter, heb ik niet kunnen slapen en niet kunnen eten. Het kostte me verschrikkelijk veel moeite om ijs te smelten en thee te maken. Tegen heug en meug heb ik een liter gedronken. Veel te weinig. (Mijn plas heeft al dagen een roestige, oranje kleur, terwijl het lichtgeel moet zijn.) Het bleef maar bonzen in mijn hoofd, hoeveel pillen ik ook naar binnen wierp.

Een uur geleden zijn we vetrokken voor onze summit-push, naar de top van de Aconcagua, op 6962 meter. De hoogste berg buiten de Himalaya. Geen ‘technische’ berg, maar wel hoog en koud en en met veel wind. Zoveel wind dat er de afgelopen drie maanden maar een handvol klimmers op de top is gekomen. 50 kilometer per uur is de max. Anders word je van de graat geblazen. En 50 kilometer per uur is precies de voorspelling voor vandaag. Dus we gaan ervoor. Na 2,5 week klimmen, van kamp naar kamp, en dan weer afdalen en dan weer klimmen, is dit het moment dat het moet gebeuren. We hebben alles gedaan om goed te acclimatiseren (te wennen aan de hoogte), maar toch heb ik een lichte vorm van AMS, oftewel Altitude Mountain Sickness. Daarom voel ik me zo slecht en lig ik als een Michelin-mannetje in de sneeuw. Mijn dikke donzen jas en broek en mijn gelaagde D-schoenen zijn bestand tegen Mount Everest-omstandigheden, maar als je niet beweegt, krijg je het onherroepelijk koud. Wat ook niet helpt, is het gebrek aan zuurstof. Op deze hoogte zit er nog maar 40 procent zuurstof in de lucht. Alsof je door een rietje ademt. Ik weet: dit is het breekpunt. Beneden mij zie ik de lichtjes van het hoogste kamp, waar onze tenten staan. Ik zou zo terug kunnen keren. Maar ik weet dat ik het niet zal doen. Dat wist ik al toen ik in Nederland in het vliegtuig stapte. En dan is er maar één alternatief: Sta op, lul, sta op!

In het Amazone-gebied in Guyana, oktober 2016 / 04:00 AM

Het is donker en ik zit drijfnat op de grond. Mijn schuilhut heeft het half begeven onder de immense kracht van de regen. Daarom zit ik nu ónder de zes smalle boomstammen die mijn bed zouden moeten vormen, in plaats van erop. De verzameling palmbladeren die het dak moesten vormen boven mijn bed zag er leuk uit bij daglicht, maar is kansloos tegen het geweld van de regen. Ik vervloek mijzelf, voor de zoveelste keer, want ’s nachts op de grond zitten, in de jungle, is niet verstandig, met al die krioelende beesten. En dan heb ik het niet alleen over slangen en spinnen. Tijdens de training, een week geleden, had ik mijn hut al bijna boven een nest kogelmieren gemaakt. (Kogelmieren hebben de ergste beet op aarde, alsof je door een kogel wordt geraakt.)
De regen stuitert letterlijk op de grond en ik zie met lede ogen aan hoe het vuur, dat ik met zoveel moeite drie dagen eerder aan heb gekregen, sissend strijdt tegen het water. Ik verbijt mij voor de zoveelste keer dat ik geen lamp heb. Geen eten, geen lucifers, geen water: oké. Maar geen lamp, dat is echt te veel van het goede. Het is om zes uur donker en om zes uur licht. Dan heb je 12 uur om bang te zijn. Al drie nachten lig ik wakker van het geloei van de beesten om mij heen. Maar ik zie niets. Het is alsof ze op een meter afstand in mijn oor staan te schreeuwen, de jaguars, waterzwijnen, huilende apen, kaaimannen, anaconda’s en ander junglegespuis. Ik klem de machete tegen mijn borst en wacht op het daglicht. Morgen, ja morgen maak ik een gigantisch vuur, en ik vang vijf piranha’s en een catfish en ik maak een feestmaal en ik zal niet misselijk zijn van de honger, nee, ik zal buikpijn hebben van mijn vraatzucht!

Wadi Rum (Jordanië), juni 2016 / 10:00 AM / 49 °C

Door een smalle kerf bovenop mijn kompas kijk ik naar een heuvel in de verte, terwijl ik in het spiegeltje in mijn kompas controleer of een pijltje precies naar het magnetisch noorden wijst. Het is pas tien uur ’s ochtends maar al tegen de 50 graden. Het zweet stroomt van mijn gloeiende gezicht en de zonnebrand prikt in mijn ogen. Ik schrik. Ik schat dat het nog minstens twee kilometer naar de heuvel is, twee eindeloos lange kilometers door het rulle zand, voordat ik op zoek kan naar schaduw in de buurt van die heuvel… Twee kilometer lijkt niet veel, maar als je te voet door de kokende woestijn loopt, met een weigerachtige kameel op sleeptouw, dan is het eigenlijk niet te doen. Ik ben nu drie dagen onderweg naar het dorpje Wadi Rum en het valt heel erg tegen. Ik moet 100 kilometer afleggen, maar ik kom veel langzamer vooruit dan ik hoopte.

Ten eerste is daar de kameel. Hij draagt mijn proviand, slaapzak, cameraspullen en 50 liter water. Zonder hem ben ik niets. Hij heet Djarrar. Hij is heel grappig en kan heel lief kijken als ik hem vermanend toespreek, maar ze hadden me toch beter een meewerkend vrouwtje kunnen uitlenen dan deze opstandige puberjongen. Een kameel is een ijzersterk beest dat weken zonder water door de woestijn kan ­sjokken, maar het is ook een herbivoor die het liefst ieder grassprietje dat hij tegenkomt wil verorberen. Ik moet steeds al mijn autoriteit gebruiken om hem mee te krijgen. Met kracht gaat het niet. En slaan doe ik niet. Dan is er de woestijn zelf, waarin ik steeds verkeerd loop, omdat alles op elkaar lijkt. Gelukkig heeft mijn trainer, Ian Craddock, een Britse ex-commando, mij goed leren navigeren met kompas en kaart en kan ik tot nu toe steeds de weg terugvinden. Maar ik slinger door de woestijn en geen dag haal ik de afstand die ik van plan was. Dan is er het filmen zelf, wat veel tijd en energie kost. Camera neerzetten, voorbij lopen, teruglopen, oppakken,
et cetera. En dan is er de hitte, waardoor ik genoodzaakt ben om vooral ‘in de randen van de nacht’ te lopen. Dat is ook zonder kameel al gevaarlijk, vanwege de kuilen, geulen en afgronden. Ik ben al zo vaak gevallen. En elke keer als ik val, verlies ik het korte touw waaraan ik Djarrar vast heb, en slaat mijn hart over. Als hij wegloopt, met mijn water, ben ik er geweest.

Met borrelende hersens bereik ik eindelijk de heuvel en even later de verlossende schaduw. Ik laat mij op de grond vallen en dank God dat ik het heb gered. Ik maak Djarrar met een lang touw aan een struik vast en maak mij klaar om tot vijf uur ’s middags te rusten.

Beaufort: 23 februari, RTL 4, 21:30 uur

Lees ook