Extinction: groot gebrek aan verbeeldingskracht

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

De film over een alieninvasie is de zoveelste scifi-teleurstelling uit de Netflix-stal.

Ergens in de toekomst leven mensen in betonnen hoogbouw omringd door netjes gecoiffeerde, groene paviljoenen. We zien ze van bovenaf bewegen, als kwetsbare mieren, als niemendalletjes, onverstoorbaar wandelend van a naar b. Ze zijn allemaal gekleed in kleinburgerlijke, pastelkleurige outfits. Ook hoofdpersoon Peter (Michael Peña) schikt zich in zijn geborneerde rol als echtgenoot van Alice (Lizzy Caplan), en als vader van twee dochters. Het enige verschil tussen vaderlief en zijn medeburgers is dat zijn nachten worden opgeschrikt door hevige nachtmerries, of visioenen, van het naderende einde van het menselijk leven op aarde. Een desastreus bloedbad dat vanuit de lucht zal beginnen.

Je cookie-instellingen zorgen ervoor dat je dit deel van de website niet kunt zien.

Wijzig hier je cookie-instellingen

Dus rijst in de eerste akte van Extinction voortdurend die vraag: wanneer slaat het weer om? Wanneer is het hommeles? En ook: tegen wie strijden ze, of we, eigenlijk? Onderwijl krijgen we een glimp van een klassenstrijd te zien, terwijl Peter in een kliniek – die hij bezoekt vanwege zijn slaapproblemen – een metgezel vindt met dezelfde droombeelden. Een geruststelling is het niet; de invasie is aanstonds, zo voelt het. Een alien-achtige entiteit – met menselijke kenmerken, in menselijke pakken – zet vervolgens de aanval in. De aanval die we al zo vaak in Peters brein hebben aanschouwd. De aarde verwordt subiet tot een mistige inferno.

Iedereen die iets weet van filmmaken, zal erkennen dat actiescènes filmen, en dingen opblazen, buitengewoon dure aangelegenheden zijn. Aangezien het budget van Extinction op een gegeven moment op was, komt de flashback-flashforward-structuur goed uit: zo kan je belangwekkende explosies meerdere malen laten zien, en doen alsof de kijker het niet doorheeft – terwijl we toch echt wel weten hoe de vork in de steel zit. Dat is het grootste manco van het door Ben Young geregisseerde Extinction. De mise-en-scène oogt daarnaast generiek, en boven alles is het scenario het slachtoffer van een cursus bresschieten: het eerste kladje van Spenser Cohen en Brad Kane werd in 2013 naar verluidt nog gekwalificeerd als ‘veelbelovend’, maar waarom is hun werk daarna overgenomen door Eric Heisserer?

Heisserer was in 2016 met zijn scenario (hij werd zelfs genomineerd voor een Oscar) medeverantwoordelijk voor het succes van alienfilm Arrival, en in die hoedanigheid een grote naam. Daarom moet Netflix hebben gedacht dat hij zijn succesvolle ervaringen op scifi-gebied wel even naar Extinction zou extrapoleren. Nou, nee dus. De plot komt in de eerste akte nauwelijks vooruit door een trits aan nietszeggende actiescènes, met veel glares en mist – zodat je de goedkope set niet kan zien. Aan verbeeldingskracht – hoe ziet zo’n dystopie eruit? – is een structureel gebrek, en dat kan je bijschrijven op het conto van Ben Young. De grote twist, ergens aan het einde van de tweede akte, komt dan ook schromelijk laat.

Scifi-films moeten je aan het denken zetten: zijn we wel wie we denken te zijn? Op moreel en ethisch vlak? In dat opzicht kent het script een fascinerende, aardige gestalt switch: zo’n moment waarop alles wat je dacht fout blijkt te zijn. Dat lijkt een erfenis te zijn van de schrijvers van het eerste uur, waarop het eindproduct zodanig is vernacheld, dat Extinction een eervolle vermelding verdient in de intussen omvangrijke Netflix-categorie van scifi-rampen.

Extinction, vanaf 27 juli bij Netflix

Lees ook