Publieke werken

De special effects in Nederlandse films

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Voor de film Publieke werken werd het Amsterdam van 1888 uit de computer getoverd. Hoe goed zijn visuele effecten uit Nederland en welke toekomst heeft die industrie? ‘Ik hoop dat we Zweden achterna gaan.’

De film Publieke werken (2015) is met al zijn visuele effecten een mijlpaal voor Nederland, stelt Dennis Kleyn. Goed, het negentiende-eeuwse Amsterdam waar de handeling voor een groot gedeelte plaatsvindt is mede dankzij Kleyns studio Planet X tot stand gekomen, maar de recensies spreken hem niet tegen. ‘Door dit Amsterdam zou je zo een uurtje willen dwalen,’ schreef de Volkskrant. ‘Levensecht maar net niet felrealistisch; iets zachter voor de ogen, achter in de weidse shots zelfs schilderachtig. Vakwerk is het, van de (digitale) decorploeg.’ De recensent van Nu.nl gebruikte de woorden ‘verbluffend goed gelukt.’ Het verleden komt ‘prachtig tot leven,’ oordeelde ook de Filmkrant.

Je cookie-instellingen zorgen ervoor dat je dit deel van de website niet kunt zien.

Wijzig hier je cookie-instellingen

Dat verleden is het Amsterdam van 1888 (de Drentse veengronden, een andere belangrijke locatie, behoefden minder visuele effecten). Daar staat het Centraal Station nog in de steigers. Pal ertegenover wil een projectontwikkelaar het Victoria Hotel bouwen, waarvoor hij de eigenaren van enkele te slopen huizen dient uit te kopen. Twee van hen verzetten zich. Een prachtig uitgangspunt voor het herscheppen van de hoofdstad toentertijd. Kleyn en de zijnen doken de archieven in, zochten naar oude afbeeldingen en beschrijvingen, en toverden met die informatie straten, pleinen en stadsgezichten uit de computer. In Hongarije werd een straat van vijftig meter lang nagebouwd, met green screens waarop achteraf beeld kon worden ingevuld. Planet X voerde de supervisie over het gehele proces, dat twee jaar duurde en waaraan drie andere studio’s meewerkten. ‘Het was een best wel complexe productie om te realiseren,’ zegt Kleyn dan ook, met gevoel voor understatement. En dat voor een film met een budget van nog geen 6 miljoen euro. De Amerikaanse kaskraker Gravity (2013), die bijna in zijn geheel uit de computer komt, deed het met zo’n 75 miljoen. Dat verschil is enorm, maar toch doet de totstandkoming van Publieke werken beseffen dat visuele effecten ook in Nederland de trukendoos van een filmregisseur op ongekende wijze hebben vergroot. Is dat een recent verschijnsel? Hebben we al een heuse industrie? En gaat die technologische ontwikkeling de Nederlandse film veranderen?

Visuele effecten, ook wel visual effects of kortweg VFX genoemd, zijn bepaald niet nieuw. Van oudsher worden ze speciale effecten genoemd, maar vanwege de opkomst van het digitale domein is het handiger om een onderscheid aan te brengen. Simpel gezegd zijn speciale effecten alle trucs op een filmset die worden toegepast voor een draaiende camera: een regenbui, een ontploffing, het vuur uit een geweerloop. Gaan na de draaiperiode bepaalde shots in de computer voor een digitale nabewerking oftewel postproductie, dan spreek je van visuele effecten. De volledig digitaal geschapen dino’s uit Jurassic Park (1993) vormden een ijkpunt. Het wormgat in Interstellar (2014) is een recenter voorbeeld.

De ontwikkeling van visuele effecten heeft een hoge vlucht genomen sinds het jaar 2000, meent Joram Lürsen, regisseur van Publieke werken. Al snel na de verschijning van de gelijknamige roman van Thomas Roosenboom in 1999 ontstonden er ideeën voor een verfilming, maar het was duidelijk dat die er niet kon komen door delen van Amsterdam na te bouwen – dat zou veel te duur worden. Visuele effecten? Die waren niet goed genoeg. Zestien jaar later kon het wel, dankzij de verbeterde en toegankelijkere techniek. Lürsen: ‘Dat er om die twee huisjes heen een hotel wordt gebouwd, moest je in minstens vijf scènes laten zien. Dat hebben we in de uiteindelijke film veel vaker kunnen doen. Publieke werken telt zo’n vijfhonderd shots met effecten.’

De regisseur vertelt over de scène waarvoor hij een grote stoomboot nodig had die Drentse emigranten naar Amerika vaart. ‘Die boten bestaan niet meer. Er ligt er een in Cardiff, in Wales, maar het zou te lastig en te duur worden om die naar de set in Hongarije te krijgen. Dus kochten we er een digitaal. Een tweedehandse, virtuele boot, die we verbouwden tot hij helemaal klopte. We gebruikten elementen op basis van fotomateriaal, tot de stoompijp aan toe. Zo kregen we een fotografische look in plaats van een digitale look.’

Het wordt steeds conventioneler om visuele effecten te gebruiken, zo bevestigt bij navraag het Nederlands Filmfonds. ‘Er worden bijna geen aanvragen meer gedaan waarin geen post is opgenomen voor VFX, al is het maar voor het wegpoetsen van oneffenheden,’ aldus een woordvoerder. Het gebruik van veel effecten levert niet automatisch subsidie op, maar het Fonds vindt het wel belangrijk dat elke film ‘zich kan onderscheiden en in production value en cinematografisch een zo hoog mogelijke kwaliteit nastreeft.’

https://www.youtube.com/watch?v=Cu4VIhsUQtE

Een andere ervaringsdeskundige is Tim Smit. De Nijmeegse natuurkundestudent zette in 2009 een achter de computer in elkaar geknutseld sciencefictionfilmpje op YouTube met de titel What’s in the box? De visuele effecten vielen dermate op dat filmbonzen uit Hollywood contact met hem zochten. Afgelopen juni verscheen Kill Switch in de bioscoop, zijn eerste lange speelfilm, die volgens de meeste recensenten om de effecten het kijken waard is. Wat zijn volgende project wordt, weet Smit nog niet. ‘Misschien ga ik een aantal korte films maken, om te groeien als regisseur. Ik heb een paar toffe ideeën. Maar eerst moet ik even bijkomen.’ Terugblikkend op de technologische ontwikkelingen van de afgelopen jaren: ‘Als ik What’s in the box? nu zou maken, zou het lang niet zo’n invloed hebben. Tegenwoordig vind je genoeg filmpjes op YouTube waarin veel betere effecten zitten.’ Want, voegt Smit toe: ‘Qua technische kennis ben ik inmiddels wel ingehaald door studenten VFX in Nederland. Het vak begint steeds meer te leven.’

De Nederlandse hogescholen en grafische lycea hebben immers ook niet stilgezeten. Aan diverse instituten kunnen jongeren zich bekwamen in het vak van de visual effects artist. De opleiding van de Nederlandse Filmacademie in Amsterdam, Immersive media/Visual effects (IMVFX) geheten, staat zelfs zeer goed aangeschreven. Toen Kleyn van Planet X er nog regie studeerde – de draai naar visuele effecten volgde later, toen hij een regisseur bleek te zijn die vooral uitkeek naar de postproductie – bestond dat allemaal niet. ‘Maar nu levert die studie heel capabele mensen af.’

Alleen: die afgestudeerden vertrekken maar al te graag naar het buitenland, met name naar Londen. ‘Als je jong bent en je kunt naar een gigantische VFX-fabriek om mee te werken aan dat soort producties, dan is dat natuurlijk gaaf,’ geeft Kleyn toe. ‘Daar in Londen zitten een paar honderd man op een heel grote film, want zoveel heb je er nodig om in een paar maanden genoeg beelden van hoog niveau te maken.’ Toch vindt hij het jammer, want door de kennisvlucht kan de sector in Nederland moeilijk concurreren met de nieuwe Marvel-film of Star Wars. Kleyn moet af en toe zelfs moeite doen om de juiste mensen te werven voor zijn studio vóór ze worden weggekaapt. Aan de andere kant: dat hoort erbij – al is het maar omdat de branche fors aan het vertakken is. ‘Ook in Nederland krijg je nu vaklui die goed zijn in specifieke dingen, zoals het maken van water of vuur, of instortende gebouwen, of open zee, met echt lijkende golven.’

Het is duidelijk: de markt van VFX-specialisten is grensoverschrijdend. Regisseur Lürsen bevalt dat wel. ‘Ik vind dat leuk, ja. Iedereen kan de benodigde software aanschaffen. Als we moeten rotoscopen – een beeldje uitknippen – dan kan dat kan ook in India of Thailand of Oekraïne. Dat gaat om heel veel handwerk. Zoiets laat je niet door dure arbeidskrachten doen.’ Het maakt volgens Lürsen dan ook niet uit waar het gebeurt, maar wie het uitvoert, en met welke techniek. ‘Wie besturen die programma’s en hoe goed zijn die mensen? Dat is de artistieke component eraan.’

https://www.youtube.com/watch?v=SernjeZIsM8

Rijst de vraag: is er in dit internationale krachtenveld plaats voor een Nederlandse visuele-effectenindustrie? De kwaliteit is aanwezig, daar is iedereen die voor dit artikel werd benaderd het over eens. Het ontbreekt alleen aan grote aantallen arbeidskrachten, en aan geld. Dat heeft ook voordelen, zegt Kleyn: Nederlanders zijn er bedreven in geworden om voor weinig geld het onderste uit de kan te krijgen. Met die eigenschap valt geld te halen uit een wereldwijd groeiende markt. ‘Ik hoop dat we Zweden achterna gaan. Zombieserie The Walking Dead wordt daar bijvoorbeeld voor een groot deel gemaakt. Wat zij doen, kunnen wij ook. Hopelijk gaat Nederland zich binnenkort meer profileren in het buitenland.’ Wat zich daarvoor moet voordoen, is een kans, denkt hij. Dat de Nederlandse cameraman Hoyte van Hoytema, dankzij wie Christopher Nolan zijn Tweede Wereldoorlog-epos Dunkirk vorig jaar deels op het IJsselmeer filmde, zijn vrienden in Hollywood ook eens wijst op het vaderlandse postproductiewezen? ‘Bijvoorbeeld,’ antwoordt Kleyn. ‘Het Filmfonds is ook bezig met dergelijke promotie. En er is de cash rebate [een kortingsregeling waardoor filmmakers dertig procent van hun aantoonbaar in Nederland gemaakte kosten terug kunnen vorderen, red.]. Het gaat er vooral om dát het een keer gebeurt. Misschien krijgen we wel een Britse of Amerikaanse Netflix-serie die hier moet worden nabewerkt. Als er een schaap over de dam is…’ In zo’n geval is het zaak dat niet één bedrijf de klus aanpakt, maar meerdere, onderstreept hij. Als de hele sector samenwerkt, is het draagvlak groter. Kleyn heeft alvast met een aantal collega’s een vakvereniging opgericht, de NVX. ‘Geen vakbond of zo, maar een club die moet inspireren en samenbrengen. Overdracht van kennis, dat is het doel. Ik ben heel positief over de branche.'

Tot slot: gaat alle nieuw opgedane kennis ertoe leiden dat we in Nederland een ander soort film gaan zien? Kleyn: ‘Internationaal is al een ander soort film ontstaan: de grote kaskrakers die van visuele effecten aan elkaar hangen. Nederland is geen genreland – zoveel pure fantasy of sciencefiction wordt hier niet gemaakt – maar toch denk ik: ja. De gereedschapskist van elke regisseur en schrijver wordt groter, dus wordt automatisch meer gebruik gemaakt van visuele effecten. Al zullen die een ondersteunende functie blijven houden, want alleen maar vorm en weinig inhoud, dat vinden Nederlandse filmmakers niet zo interessant. Ik ook niet.’

Lürsen sluit zich daarbij aan. ‘Het feit dat je iets uit de computer kúnt toveren, wil niet zeggen dat je dat ook maar moet doen. Ik wil de emotie en het acteerwerk niet laten overheersen door de techniek.’ Hij benadrukt het maken van scherpe keuzes vooraf: wat ga je digitaal doen, en wat niet? ‘Volgende week heb ik bij Planet X de eerste presentatie van de effecten die zijn gemaakt voor mijn nieuwe film, Bankier van het verzet [over een clandestiene bank die tijdens de Tweede Wereldoorlog staatsgeld doorsluisde naar tegenstanders van de nazi’s, red.]. Samen met de art director en de digitale man heb ik bepaald wat we gingen doen. Dat is spannend, want je hebt het over een budget van meer dan één miljoen dat tussen die twee te verdelen valt.’ Alle cinematografische problemen oplossen met de computer valt af te raden: die computer komt pas na het draaien tevoorschijn, waardoor je als filmmaker het risico loopt op een rekening die je vooraf niet had ingecalculeerd. Het gesprek over de toekomst van de Nederlandse film leidt bij Lürsen tot sombere bespiegelingen. ‘De situatie is niet heel gunstig, vind ik. Vooral qua budget. Wij spelen Jupiler League, maar we kijken naar de Champions League. Er wordt matig verdiend in de bioscoop, de dvd-markt is totaal ingestort en legaal downloaden levert weinig op. Het realiseren van commerciële films gaat in Nederland steeds moeilijker. En de visuele effecten zullen niet goedkoper worden. Een Publieke werken krijg je over vijf jaar niet meer van de grond, dat weet ik zeker.’

Geld van Hollywoodachtige dimensies is er niet in Nederland, dat weet Tim Smit als geen ander. Zijn Kill Switch was met een miljoen euro, waarvan een ton voor de effecten, een lowbudgetproductie. Toch ziet hij de toekomst zonnig in. ‘Ooit zullen we een grote Hollywoodfilm zien die in Nederland gemaakt is. Misschien wel met een groot budget. Ja, als ik kans krijg, dan zou ik dát leuk vinden om te doen.’

Publieke werken, zaterdag 9 september, NPO2, 20:10 uur

Lees ook