Xander van der Wulp over een leven op het Binnenhof

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Politiek verslaggever Xander van der Wulp heeft er drie krankzinnige campagneweken op zitten: levend in een hotel, vrouw en drie kinderen thuis achterlatend en vaak maar een paar uur slaap per nacht.

Politiek verslaggever Xander van der Wulp heeft er drie krankzinnige campagneweken op zitten: levend in een hotel, vrouw en drie kinderen thuis achterlatend en vaak maar een paar uur slaap per nacht.

Het waren lange dagen. ’s Ochtends om kwart over vijf opstaan, terwijl hij regelmatig de avond ervoor tot twaalf uur aanzat bij Pauw & Jinek. Maar ja, dit zijn de gouden tijden voor een parlementair verslaggever, en het is het werk waar hij gelukkig van wordt. Zijn vader Gerard werkte al voor de NOS, en Xander wilde niets liever.

Wat vond je van de campagne? Er wordt gezegd dat er weinig keiharde, inhoudelijke thema’s waren, maar daar ben ik het niet helemaal mee eens. Thema’s als het voltooid leven, integratie, de Turkse kwestie zijn aan bod gekomen. Maar misschien werd er veel te veel verwacht van de laatste twee, drie weken. Het is voor het eerst sinds tijden dat een kabinet de rit uitzit en dat we de verkiezingen dus al heel lang aan zagen komen. De campagne was eigenlijk al een half jaar geleden begonnen.

Heb je genoten? Ik vond het fantastisch, ik kreeg een schoolkampgevoel: iedereen doet een beetje raar, je slaapt kort en je bent met een paar collega’s heel erg op elkaar aangewezen. Allemaal in hetzelfde schuitje: veel werken, 24/7 achter de politici aan. Het is een ander soort journalistiek dat je aan het bedrijven bent, je beschrijft hoe de politici bezig zijn, hoe ze campagne voeren, wat hun doelen zijn. En ook de journalistiek ligt onder een vergrootglas: je wilt het zo eerlijk mogelijk doen, iedereen fair benaderen en ongeveer evenveel tijd geven.

Jullie moeten je werk vooral zo decent mogelijk doen. Volgens mij zijn we deze periode netjes doorgekomen. Het slotdebat van de NOS is een mooi voorbeeld van hoe dat door de jaren heen veranderd is. Vroeger organiseerden wij zo’n debat, bepaalden we de stellingen en wie er tegen wie ging debatteren. De partijen mochten bij wijze van spreken blij zijn dat ze werden uitgenodigd. Nu zeggen partijen af als het ze niet bevalt en laten ze interviews niet doorgaan. Het is de nieuwe werkelijkheid waar we mee te maken hebben. Er staat heel veel op het spel, dus dat een slotdebat tegenwoordig via loting tot stand komt en dat alle lijsttrekkers één stelling zelf mochten verzinnen, lijkt me redelijk.

Zag je de spanning bij de politici toenemen, gaande de campagne? Ik heb een paar keer bij Pauw & Jinek aan tafel mogen zitten, en dan zie je van heel nabij hoe er geopereerd wordt. Ik was te gast toen minister Jeanine Hennis-Plasschaert met Emile Roemer en Jesse Klaver aan tafel zat. Hennis viel Roemer ergens op aan en op dat moment vóel je de spanning aan tafel stijgen. Want ze weten allemaal: nu moet ik het goed doen, een fout kan fataal zijn. Klaver was vijfde wiel aan de wagen in die discussie, maar wilde ook meedoen, er tussenkomen. Maar die andere twee wilden dat niet, sloten hem een beetje buiten. Je zag zijn gevecht om aan te haken.

En het slotdebat, was dat enerverend? Fascinerend om daar in de coulissen te lopen. Er is een kamer waar al die politici samenkomen met hun spindoctors, op en top geladen om te presteren. Het was indrukwekkend om te zien hoe die avond al die politici op de toppen van hun kunnen presteerden. En net zoals de politici naar zo’n moment toeleven, geldt dat natuurlijk ook een beetje voor ons journalisten. Wij zijn ook drie weken aan het knallen en moeten er óók staan.

Is dit de carrière waar je je hele leven van gedroomd hebt? Nee, dat niet. Mijn grote ambitie vroeger was: hoofdredacteur worden. Dat was mijn vader op z’n 37ste en het leek me prima om hem daarin te volgen. Werken bij de NOS was sowieso een droom. Ik werk er al 25 jaar hè, terwijl ik 42 ben, dus dat is láng. Alles heb ik gedaan inmiddels: autocue, krant rondbrengen op de redactie, mensen naar de schmink begeleiden…

Hoe begon je, als 17-jarige? Met het bedienen van de autocue en in de zomer wiste ik banden. Cameramensen hadden toen nog banden die moesten leeggemaakt worden. Daar waren twee apparaten voor, kon ik de hele schoolvakantie tv-kijken en ondertussen die dingen bedienen. Daarna ben ik montagesets gaan inplannen, ben ik regie-assistent geweest, heb ik productie gedaan… Toen ik eenmaal afgestudeerd was, werd ik eerst buitenlandredacteur, maar na een jaar al eindredacteur. Nog net voordat ik 30 werd, was ik chef van een afdeling van tachtig man. Meer manager dan journalist. Ook leuk, die kant zit ook in me.

Waarom ben je niet gewoon doorgestoten naar de hoofdredactie? Op een gegeven moment heb ik gesproken over toetreden tot de hoofdredactie, maar dat was toch nog een beetje vroeg. De afspraak was dat zolang mijn vader hoofd van de Rijksvoorlichtingsdienst was en in Den Haag rondliep ik niet in de hoofdredactie zou komen. Je hebt als journalist immers veel met hem te maken. Maar toen hij wegging was ik er met de hoofdredactie snel uit: het was goed om zelf eens als verslaggever het klappen van de zweep te leren.

En een rebelse aard, waardoor je denkt: ik ga gewoon iets heel ánders doen dan mijn vader, heb je blijkbaar niet? Als je naar mijn carrière kijkt, kan ik dat heel moeilijk volhouden.

Waarom vond je dit carrièrepad zo aantrekkelijk? Geen idee. Maar sinds ik op het Binnenhof ben, voel ik heel duidelijk: dit is waar ik als jongen al rondliep, hier voel ik me thuis. Mijn vader heeft dat ook nog steeds: wij voelen ons in Den Haag als een vis in het water. Nieuwspoort, de Haagse redactie – heel prettig.

Is het een leuke wereld om in te functioneren? Wat ik fijn vind aan deze baan vergeleken met, bijvoorbeeld, een correspondentschap, is dat we hier een brede Haagse redactie hebben en dat je er daadwerkelijk toe doet. Een correspondent werkt alleen en doet er in het land waarin hij werkt totaal niet toe. In Washington mag je al blij zijn als een hoogleraar op een universiteit je even te woord wil staan. Terwijl hier, zeker tijdens zo’n campagne: we hoeven maar te knippen en een politicus wil in onze uitzending. Alles wat we zeggen wordt uitgeschreven door mensen van de RVD en staat vijf minuten later op de telefoons van alle bewindslieden die erover gaan. Als ik iets tweet waar iemand het niet helemaal mee eens is, word ik drie minuten later gebeld: of hij dat niet even van een andere kant kan laten zien.

En dat is prettig? Ik vind dat een leuk spanningsveld, vooral om daarna iets te maken waar niemand echt iets op aan te merken heeft.

En toen je op de middelbare school zat, dacht je toen al: daar, in Den Haag, bij de NOS, dát vind ik aantrekkelijk? Toen wilde ik vooral sportverslaggever worden. Dat was ook de keuze die ik moest maken, tussen sport en nieuws. Ik was aangenomen bij Studio Sport als beeldredacteur, maar kwam net terug van mijn stage in Amerika. Daar was ik verliefd geworden op mijn huidige vrouw, zij is Amerikaanse, en op dezelfde dag dat ik bij Studio Sport aan de slag kon, mocht ik nog een half jaar namens de NOS naar het Washington-bureau. En dus ben ik dat gaan doen. Maar het lijkt het me nog altijd heel aantrekkelijk om sportpresentator te zijn.

De NOS wordt vaak afgeschilderd als een zwaar bureaucratische betonkolos met Oost-Europese trekjes, maar jij hebt echt liefde voor het bedrijf.
Mensen zeggen dat het zwaar hiërarchisch is, dat je je moeilijk omhoog kan vechten – nou, dat beeld heb ik totaal niet. Als je wilt, kan je hier een fantastische carrière maken, en qua vernieuwing loopt de NOS ook voorop. Deze campagne kon je volgen via snapchat, we kregen de ruimte van het social team om te gaan vloggen… Het is een bedrijf waar goede mensen snel naar boven kunnen komen, als je maar alles aangrijpt en niet gaat zitten simmen dat je buiten je rooster moet werken. Maar dat geldt in elke business.

Hoe denk je dat de formatie zal gaan? Ingewikkeld. De drie grote partijen staan wel vast denk ik – VVD, CDA, D66 – maar het wordt lastig er een vierde bij te vinden. Misschien eindigen we met een minderheidscoalitie.

Is het een spannend proces om te verslaan? Ik ben heel benieuwd welke kant het met dit land op gaat, maar voor ons journalisten is het: wachten. De partijen zijn stil.

Grappig, tijdens de campagne weten politici niet wat ze allemaal moeten doen om in de publiciteit te komen, de dag na de verkiezingen worden alle deuren hermetisch gesloten. Geen politicus die nog echt in de race is, wil praten. En hoe minder wij horen, hoe beter het gaat. Als er dingen gelekt worden, is er het begin van een breuk. Dan willen de partijen, ook naar buiten toe, piketpalen slaan.

Het heeft wel wat weg van sportverslaggeving. Dit is heel veel tactiek ja, kijken wat er op de vierkante millimeter zoal gebeurt.

Toen je tiener was, deed je vader verslag van dit soort zaken. Volgde je het toen ook op de voet? Tot mijn 14de zat hij in Den Haag, maar ik had het niet met hem over het formatiespel en de tactieken. Ik was geen Sywert van Lienden die op zijn 14de de kronieken van kabinetsformaties tot zich zat te nemen. Ik las Voetbal International en kende alle opstellingen van de Eredivisie uit mijn hoofd.

Verheug je je op de komende weken? Maanden, denk ik. Er is één grote angst die ik heb: Ron [Fresen, red.] en ik gaan natuurlijk niet tegelijkertijd op zomervakantie, maar ja, we moeten tóch allebei even weg. Dan kan het natuurlijk zijn dat de hele boel tot een ontknoping komt als ik net op vakantie ben. Dat is een doemscenario.

Tot die tijd: veel posten voor een dichte deur? Dat gaat zeker gebeuren, ja. Gelukkig moet ik er elk uur iets over vertellen op televisie, kan ik tenminste even weg. Maar het is ook wel leuk hoor, alsmaar daar staan met de collega’s van de kranten en de andere omroepen. Zo hebben we in het verleden al heel wat leuke uurtjes doorgebracht.