De invloed van Monty Python (nu op Netflix)

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Twee Monty Pythonfilms (en de serie) op Netflix! Nederlandse humormakers vertellen hoe ze nog steeds worden beïnvloed.

Komt een man bij de burgerlijke stand. ‘Pardon, ik wil graag trouwen.’ Zegt de ambtenaar van dienst: ‘Ik vrees dat ik al getrouwd ben, meneer.’ Zomaar een grapje uit een Monty Python-sketch, maar wel een waarom Jeroen Woe ‘het allerhardst gelachen’ heeft. Woe – bekend als een van de vier quizmasters uit De kwis, net als Niels van der Laan, met wie hij cabaretduo Van der Laan & Woe vormt – is een verklaard fan van het Britse absurdistische gezelschap. De tv-serie Monty Python’s flying circus (1969–1974), films als Monty Python and the Holy Grail (1975) en Life of Brian (1979), de theatershows, de liedjes – hij is er allemaal van op de hoogte. En dat komt door zijn vader.

‘Mijn vader keek altijd naar Fawlty Towers,’ vertelt Woe. ‘En ik keek mee. Vanaf toen wilde ik alles van John Cleese weten. Ik was een jaar of veertien, vijftien en hield me al langer bezig met cabaret. Ik schreef zelf liedjes, ging veel naar het theater. Het was in de tijd dat de VPRO de herhalingen van Monty Python’s flying circus uitzond, heel laat ’s avonds. Het eerste wat ik daarvan zag, was een onderzoek met een dode krab. Een groep vrouwen kon het verschil niet proeven tussen dode krab en een bepaald soort boter.’ Woe vond het grappig, maar ook een beetje eng. ‘Het was heel spannend, want er kon van alles gebeuren. Ik begreep veel niet. Al zaten er ook grappen tussen die ik wel snapte, zoals die man die aan de deur klopt en roept: ‘Burglar!’ En dat er een vrouw opendoet die hem wantrouwig vraagt: ‘U bent toch geen encyclopedieverkoper?’ ‘Nee, nee,’ antwoordt die man, ‘ik ben een dief. Echt.’ En dan blijkt hij natuurlijk tóch een encyclopedieverkoper te zijn.’

Ronald Snijders, een generatiegenoot van Woe, was ook puber toen hij Monty Python ontdekte. ‘Een jaar of twaalf,’ herinnert hij zich, ‘de perfecte leeftijd om dat soort humor te begrijpen. Op het schoolplein, als ik er met vriendjes over praatte, kreeg ik door dat het navertellen alles nóg grappiger maakte dan het kijken alleen. De ideeën waren kennelijk zo goed, dat ze recht overeind bleven staan.’ Snijders, die momenteel door het land toert met de absurdistische theatervoorstelling One man show en met zijn compagnon Fedor van Eldijk een verzameling zelfverzonnen neologismen publiceerde in het boek De alfabetweter, was verkocht. ‘Het was een openbaring. Ze creëerden humor waar heel veel mee bleek te kunnen.’ Een specifieke eerste scène herinnert hij zich niet. ‘Wat ik wel nog weet, is dat een vriendje de BBC-herhalingen van Flying Circus opnam op VHS en aan mij uitleende. Ik nam toen een krantenwijk om te sparen voor een eigen videorecorder.’

De indruk die Monty Python op Woe en Snijders maakte, is niet vanzelfsprekend. Tijdens het schrijven van dit artikel blijkt dat – anders dan je zou verwachten – lang niet elke Nederlandse cabaretier, stand-up comedian of humorist een voorbeeld neemt aan het wereldberoemde ensemble van John Cleese, Eric Idle, Terry Jones, Michael Palin, Graham Chapman (overleden in 1989) en Terry Gilliam, de Amerikaan die de kenmerkende animaties voor zijn rekening nam. Herman Finkers bedankt (‘ik voel er niet voor’), Herman Koch heeft ‘nooit de neiging gehad om het ook op dvd aan te schaffen’, Richard Kemper acht zich ‘niet kenner genoeg’, Pieter Derks noemt zichzelf ‘geen adept’ en Sander van de Pavert van Lucky TV ‘heeft niet zo veel met Monty Python.’ Tineke Schouten heet volgens haar manager ‘fan’ te zijn, maar dat blijkt bij navraag wel mee te vallen. ‘Ik vond het humoristische kerels,’ zegt de comédienne, ‘maar dat absurdistische laat mij niet schaterlachen. Soms hadden ze van die maffe sketches. Dan dacht je: waar leidt dit toe? Waar slaat dit op? Ik ben meer van de grappen die met de werkelijkheid te maken hebben.’

En dat zijn nog de artiesten die iets van zich laten horen. Ruim een derde van de vijfentwintig benaderde personen hult zich in stilzwijgen. Maike Meijer van Toren C snapt dat wel. ‘Dit wordt zo vaak gevraagd. In alle interviews, zeker als je iets met absurdisme doet, krijg je het verzoek om iets te zeggen over die club.’ Maar dat er collega’s zijn die Monty Python niet goed kennen? ‘De jonkies zeker!’ schampert ze ongelovig. Onder geen beding is Meijer in die laatste categorie te plaatsen: ze noemt het illustere zestal ‘de aartsvaders van de comedy’, die iedereen hebben beïnvloed. Niet in de laatste plaats haarzelf: kijken naar hun film- en televisiewerk ‘opende deuren’ in Meijers brein. ‘Voor mij betekende Monty Python dat in het absurdisme absoluut alles mogelijk was. Het kon alle kanten op, en er konden allerlei vormen bijgehaald worden. Dit kan dus óók, dacht ik.’

Gebruikt ze Monty Python wel eens als inspiratiebron voor de sketches in Toren C? ‘Nee, niet meer. Dat hebben we geprobeerd, maar Margôt [Ros] en ik maken echt iets heel anders. Zij waren meer verbaal. Wij zijn fysieker, en werken met ongemakkelijke situaties. Dat is een andere manier van denken. Met het absurde, dat wij ook hebben, deden zij iets heel anders.’

Ook Woe probeerde het, maar zag ervan af. ‘Bij De kwis wilden we aanvankelijk het begin gebruiken van Monty Python’s Flying Circus: een man met een lange baard die vanuit de verte komt aanrennen en vlak voor de camera aankondigt: “It’s…” Met Paul de Leeuw als die man. Uiteindelijk hebben we het toch niet gedaan. Het zou te duidelijk gekopieerd zijn.’ Tegenwoordig fungeert Monty Python ‘als wake-up call’: zo nu en dan schuift Woe een dvd in de dvd-speler. ‘Zij gaan zo buiten de lijntjes. Technisch zijn ze krankzinnig goed. De openingsscène van Monty Python and the Holy Grail bestaat uit een gesprek tussen koning Arthur en de bewakers van het kasteel waar hij naar binnen wil. Dat ontaardt in een discussie over zwaluwen. Niet doen, zou je van tevoren denken, maar je gaat als kijker toch mee. En er is een aflevering van Monty Python’s Flying Circus waarin steeds schapen uit de lucht vallen: op die manier wekken ze de suggestie van eenheid tussen sketches die niets met elkaar te maken hebben.’

Schouten herkent weliswaar Python-humor in sommige van haar typetjes, maar ziet dat meer als een toevallige overeenkomst. ‘Ik laat me meer door vrouwen inspireren dan door mannen,’ vertelt ze. ‘Maar ik heb eens een typetje gespeeld dat bij een 06-lijn werkt. Zo iemand die altijd haar best doet om het goed te doen, maar dat lukt niet. Een mens is niet perfect. Dat gegeven zit ook vaak in de sketches van Monty Python. Ik houd van Engelse humor: de lulligheid, de zelfspot, het fout of lelijk durven zijn.’ Voor Schouten is Python vooral John Cleese. ‘Hij is de nummer één. Vanwege zijn motoriek – dat lichaam! – maar ook vanwege zijn personages. Die willen de boel redden, soms gecombineerd met een bazig element, wat het komische versterkt. Al slaat dat meer op zijn rol als Basil Fawlty in Fawly Towers.’

De geïnterviewde die zich in zijn werk het meest met Monty Python identificeert, is Snijders. ‘Ze spelen nog steeds een enorme rol. Ik heb het gevoel dat wat Fedor en ik doen, uit de school is van Monty Python. Ik heb ooit de dvd-box gekocht om alles weer eens terug te kijken, en soms dacht ik: verrek, dit zijn de dingen die wij ook schrijven. En zij zijn niet door óns beïnvloed, dat is duidelijk.’

Wat Monty Python zo goed maakt, is volgens Snijders de lol die de zes leden ervan hadden. ‘Dat zie je terug. Ze wilden elkaar aan het lachen maken.’ Ook ziet hij het grote voordeel van schrijvers die tegelijkertijd uitvoerders zijn. ‘Dan zit er nooit ruis tussen. Geen acteur die de tekst net iets anders benadert, of een regisseur die zijn eigen denkbeelden heeft. Zíj waren hun eigen ideeën, en als die ideeën zó goed zijn als die van hen… Er zit een geest in van Python die heel puur is. Dat kun je niet kopiëren. Dat is alsof iemand een programma van Hans Teeuwen gaat naspelen. Daar wordt het niet beter van.’ Meijer zegt iets soortgelijks: ‘Zij bedachten een vorm, en die werd het. Daar waren ze concessieloos in. En hun creativiteit putten ze uit een volstrekt oorspronkelijke bron.’ Woe benadrukt de gecontroleerde gekte. ‘Heel knap: ze vlogen nooit uit de bocht,’ zegt hij. ‘Hoe anarchistisch en brutaal ook, ze hadden over alles goed nagedacht. Het is nooit lui of gemakzuchtig. Of leeg. Die aflevering van Monty Python’s Flying Circus waarin ze steeds een dia van een lariks laten zien? Die zegt iets over vorm.’

Monty Python's Flying Circus, Monty Python and the Holy Grail en Life of Brian, vanaf 15 april op Netflix. Dit artikel verscheen eerder in de VARAgids.

Lees ook

Dawn of the Dead (2004): spannender dan het origineel

Eerste blik op nieuwe serie Who Is America?

Zoe: romantische scifi-film van Netflix

Queer Eye krijgt een derde seizoen

How It Ends: mooie plaatjes, weinig diepgang