Colin Quinn – The New York Story: getroebleerde lofzang op NYC

· Door

Google+ Facebook Twitter WhatsApp

Na tientallen goede grappen over het leven in New York gaat comedian Colin Quinn onnodig de fout in.

Komiek Colin Quinn, ooit de presentator van Weekend Update in Saturday Night Live, is geboren en getogen in New York. Je hoort het aan zijn accent, en je ziet het aan zijn houding. In The New York Story, geregisseerd door die andere bekende New Yorker, Jerry Seinfeld, vertelt hij over de ontstaansgeschiedenis van zijn geliefde stad. Het is een diverse gemeenschap, met alleen al in stadsdeel Queens meer dan honderd nationaliteiten. En nu vindt er gentrificatie plaats: blanke mensen hebben Harlem en Brooklyn overgenomen. Met weemoed blikt Quinn terug op de tijd dat New York nog smerig en gevaarlijk was.

Je cookie-instellingen zorgen ervoor dat je dit deel van de website niet kunt zien.

Wijzig hier je cookie-instellingen

De Netflix-special wordt ingeleid met prachtige historische beelden van de haven en het vrijheidsbeeld, terwijl de discohit 'Native New Yorker' door de luidsprekers knalt. Of je er nu wel of niet ooit bent geweest, de beelden spreken voor zich: een bezoek aan New York is een overweldigende ervaring. Dan wordt geschakeld naar een prachtig aangekleed decor met allerlei attributen uit The Big Apple: de bodega, de metro en de delicatessenwinkel. Quinn vertelt tussen decorstukken die de haven moeten nabootsen zijn eerste grap: ‘Wij, New Yorkers, zijn niet zo uitbundig als de mensen aan de westkust, maar we zijn wel opdringerig, onbeleefd en eigenzinnig.’

Wat volgt is een zoektocht naar de 'New York-attitude': een samensmelting van al die nationaliteiten. Quinn begint met een geschiedenisles, en vertelt hoe de indianen op het eiland Manhattan al krachtdadige types waren. Later kwamen de Nederlanders, wiens taal deels werd overgenomen. ‘I am standing on a stoop saying fucking yankees.’ Quinns anekdote klopt overigens niet helemaal: 'stoep' en 'yankee' zijn wel Nederlands, maar 'fuck' niet (de etymologie is onduidelijk). Hij vervolgt met vertellen dat ‘Bronx’, ‘Harlem’ en ‘Bushwick’ bewijzen zijn van de Hollandse erfenis.

Na de Nederlanders kwamen de hooghartige Engelsen, de diepgelovige Ieren, de hardwerkende Duitsers, de betweterige Joden en de dramatische Italianen. Daarop kwamen de Afro-Amerikanen, de Chinezen, de Koreanen en de Jamaicanen. Allemaal met hun eigen trekjes, die Quinn vrolijk naspeelt. Zo waren (en zijn) de Ieren, Quinns voorouders, traditiegetrouw zware drinkers werkzaam in de ambtenarij – met name de politie. In een andere grap focust hij op de Italiaanse Mariacultus: ‘Hoe was het voor hen om verwelkomd te worden door een dertig meter hoog moederbeeld?’

En dan komen we bij Quinns jeugd. De komiek ervoer aan den lijve dat de Puerto Ricanen hun intrede deden in de stad met vrouwen met ‘decolletés met kruisjes’. Je kan je niet aan de indruk onttrekken dat Quinns stereotypes neigen naar racisme. Dat moet ook, naar eigen zeggen, want we zijn nu eenmaal verschillende mensen. Voor Quinn houdt dat twee dingen in: politiek correct handelen is hypocriet, en komedie excelleert bij de gratie van discriminatie. Met die gedachte wordt zijn nostalgie verklaard. Naar de glorieuze jaren zeventig, toen kindermishandeling ‘nog geen kindermishandeling werd genoemd’. Toen ‘op Times Square de pooiers netjes in lange rijen stonden, net zoals de citibikes nu.’

Wat Quinn, spijtig genoeg, lijkt te vergeten is dat zijn Ierse voorouders destijds ook al de scepter zwaaiden, net als nu. Je kan wel dwepen met 'die tijd’, maar je zou je eigenlijk moeten afvragen hoe ernstig en vuig New York City destijds was voor een blanke Ier. Of omgekeerd: in hoeverre was het voor een Afro-Amerikaan een kwestie van overleven? Quinn slaat in zijn tot dusver bijzonder leerzame en vermakelijke Netflix-special termen als white privilege – de voordelen die hij geniet op basis van zijn huidskleur – en de slavernij gemakzuchtig over.

Hij zou eens het slavernijmuseum, in het hart van Manhattan, moeten bekijken. Dan zou hij wellicht tot de realisatie komen dat het historische New York, waar hij zo naar verlangt, vooral leefbaar was (en is) voor blanke burgers. Je kunt wel zeggen dat je de diversiteit omarmt, terwijl je je tegelijkertijd het recht voorbehoudt raciale verschillen (lees: stereotypes) te benoemen, maar dan zijn we in het hele debat over racisme geen stap verder. Of juist een stap terug, naar de ‘kleurrijke’ jaren zeventig. Zo verandert The New York Story van een uiterst geestige voorstelling in een onnodige les cultuurrelativisme, waarin de komiek Quinn even op de stoel van de antropoloog gaat zitten. Schoenmaker (een beroep dat in New York trouwens onder meer werd uitgeoefend door Duitsers), blijf bij je leest.

Colin Quinn: The New York Story, vanaf 18-11 bij Netflix

Lees ook