Room 104: Overtuigend en divers

Boeiende uiteenlopende verhalen, gefilmd binnen de vier muren van een motelkamer.

De motelkamer is, voor diegenen die onderweg zijn, het betaalbare alternatief voor thuis. Daar komen mensen van divers pluimage samen. Ze trekken de deur achter zich dicht, en zijn voor even afgesloten van de buitenwereld. Die intieme setting leent zich dan ook uitstekend voor drama. Dat bewezen theatermakers al voor de uitvinding van film en televisie met het Kammerspiel: een verhaal dat zich afspeelt in één ruimte, zonder veel opsmuk. Filmmakers omarmden deze waarachtige doch sobere benadering. Dan valt te denken aan Richard Linklaters Tape (2001), gefilmd binnen de vier muren van een smoezelige motelkamer.

Zo’n tijdelijk verblijf in een motel kan echter ook je laatste rustplaats worden. Zoals in Alfred Hitchcocks Psycho (1960): hoofdpersonage Marion Crane wordt al in de eerste akte op brute wijze vermoord, in de douche van haar motelkamer – de voorgeschiedenis van deze episode is te zien in televisieserie Bates Motel. Donkere, beduimelde motelkamers werden zo al snel onderdeel van het horrorgenre. De makers van Room 104, Jay en Mark Duplass, laveren – samen met een handjevol scenaristen – telkens tussen drama en horror (en sciencefiction), in deze anthologieserie. Alle twaalf afleveringen staan op zichzelf, maar er is evenwel een rode draad te bespeuren.

Wie de plotomschrijving van Room 104 leest, zal niet snel aan Black Mirror denken. Hoewel beide anthologieseries een en ander gemeen hebben: de relatie van de mens tot technologie. In Black Mirror heeft die verhouding technoparanoia tot gevolg: een legitieme angst voor technologie. In Room 104 maakt technologie – telefoons en internet – juist mogelijk dat de mens vanuit zijn motelkamer contact kan zoeken met de buitenwereld. De vraag is echter in hoeverre dat contact oprecht en menselijk is. Met dat dilemma flirten de broers Duplass – makers van eigenzinnige indiefilms, waar ze soms zelf in acteren – al eerder, in de speelfilm Safety Not Guaranteed (2012).

Naast Jay en Mark Duplass krijgen een trits aan scenarioschrijvers en regisseurs de kans om een aflevering van een klein halfuur te maken, mits ze zich houden aan de vuistregel: het verhaal moet zich afspelen in een motelkamer. Het eindresultaat – we mochten zes afleveringen van tevoren zien – is overtuigend en divers. Hoewel de premisse van Room 104 allesbehalve origineel is (zie: Kammerspiel) maakt de relatief korte speeltijd en het uitstekende acteerwerk een hoop goed. Met verhalen over eigenaardige rituelen en bejaardenseks, begeleid door fijne synthesizermuziek.

In de eerste aflevering, getiteld Ralphie, krijgt een oppas via een sms’je een oproep: of ze op een motelkamer even op een kind wil passen. Eenmaal gearriveerd, ontmoet ze de vader, die vluchtig de ruimte verlaat op weg naar zijn afspraak. Zijn zoon Ralphie is nog in de badkamer. Het blijkt een bedeesde jongeman, die ineens – na een bezoek aan diezelfde badkamer, buiten beeld – kan transformeren in een duivelsachtige verschijning. Alsof het kind lijdt aan een meervoudige persoonlijkheidsstoornis. Althans, zo wordt dat gesuggereerd. Tegen het einde vindt namelijk een onverwachte perspectiefwisseling plaats: niet is wat het lijkt in Room 104.

Zo hebben de scenaristen slechts luttele minuten nodig om een esoterische sfeer te creëren en de kijker op het verkeerde been te zetten. De ontmoeting tussen twee mensen in de derde aflevering, The Knockadoo, oogt aanvankelijk als een internetdate, maar blijkt bij nader inzien een onbestemd ritueel. Een afspraak tussen een hulpbehoevende vrouw en een priester. De laatstgenoemde gaat naarstig op zoek naar een dvd-speler, zodat hij de woorden van zijn profeet kan laten zien; vastgelegd op een schijfje. Zo domineert technologie ons leven. Of, zoals in de eerste aflevering: we gebruiken technologie – sms’jes en WhatsApp – als instrument om mensen op afstand te houden.

Je kan iemand die je aanspreekt op straat immers moeilijker negeren dan een digitaal berichtje. Een tussenvorm is een telefoongesprek, waarin je je gesprekspartner wel kan onderbreken en ondervragen. In de vijfde aflevering, The Internet, blijkt ook die communicatievorm grillig en absurd. Een aspirant-auteur heeft zijn laptop – met daarop zijn debuutroman – laten liggen bij zijn moeder, kilometers verderop. Het is 1997 en het internet staat nog in de kinderschoenen: hoe moet je dan aan je moeder uitleggen hoe je een bestand via een router kan versturen? Dat blijkt dan ook een beproeving, die uitmondt in een diepzinnige ervaring.

Het lijkt alsof de makers van Room 104 letterlijk de ziel van hun personages, evenals die van de kijker, volledig willen afgraven. De zesde aflevering is exemplarisch voor dit uitgangspunt: Een schoonmaakster van middelbare leeftijd wordt in de motelkamer waar ze aan het werk is gebeld door haar jongere versie, uit de jaren tachtig. Wat volgt is een vijftien minuten durende, schitterend gechoreografeerde dans. Actrice Dendrie Taylor en actrice/ballerina Sarah Hay smelten met elkaar samen in oogstrelende symmetrische composities. Het geheel – inclusief de bezwerende, dromerige muziek – doet denken aan Nicolas Winding Refns The Neon Demon (2016).

In de laatste twee afleveringen komen geslachtsongelijkheid en de onvoorwaardelijke liefde tussen twee tachtigers aan bod. In de ene aflevering wordt naar de toekomst gekeken: twee vrouwelijke beroepsvechters willen in het vervolg een eerlijke beloning voor hun harde en afmattende werk. In de laatste met nostalgie doorspekte aflevering wordt weemoedig teruggeblikt naar het verleden. Naar het bed – of hadden ze seks op beide bedden? – waar een bejaard echtpaar voor het eerst de liefde bedreef, in een generieke motelkamer. Waarop voor de kijker vast de vraag rijst: wat gebeurt er eigenlijk zodra je een motelkamer verlaat of betreedt? Die vraag wordt in Room 104 ruimhartig beantwoord: dan krijg je een soort motelkamer-vagevuur te zien, met personages zoals de schoonmaakster, die zich bevinden tussen twee werelden.

Room 104, 28 juli bij HBO