Interview: Michael Dudok de Wit (The Red Turtle)

Tien jaar werkte Oscarwinnaar Michael Dudok de Wit (1953) aan The Red Turtle, zijn eerste lange animatie over liefde, het leven en het belang van acceptatie.

 

‘Op de lagere school noemde een leraar me Karel Appel, omdat ik altijd zat te tekenen. Mijn drie broers deden dat ook, maar misschien net wat minder obsessief. Ik kon er helemaal in opgaan, vergat dan alles om me heen, ook wat er gezegd werd en onderwezen. Ik was niet bijster goed op school. Mijn ouders zaten daar gelukkig niet zo mee. Mijn moeder was zelf artistiek. Ik herinner me nog – ik moet heel klein zijn geweest – dat ze een keer een tekening had gemaakt van een van onze krielkippetjes. Ik zie hem nog voor me, zo mooi en gedetailleerd. In haar hart was ze een kunstenaar. Maar ze heeft ervoor gekozen om een goede echtgenoot en moeder te zijn – dat is voor mij heel fijn geweest, maar het kan niet anders dan dat ze zelf soms zal hebben geworsteld met die keuze.

Ze kwam uit Zwitserland, uit Lausanne. Thuis spraken we Frans. Toen ik 1 was, verhuisden we van Abcoude naar Laren, in ’t Gooi. Het was nog niet zo’n chic dorp als nu. Wel heel mooi en groen. Later ging ik in Hilversum naar school en fietste ik elke dag over de hei. Dat is dan zoiets normaals, je weet niet beter. Maar als ik er aan terugdenk dan is dat heel vormend geweest. Elke dag was anders, dan weer regende het, in de winter was de hei bedekt met sneeuw. In de herfst stond-ie helemaal in bloei. Zonder dat je er op die leeftijd bewust van bent, ben je omringd door schoonheid.’

‘Omdat ik vanuit huis al met een voet in het buitenland stond, wilde ik altijd al graag naar andere landen. In de jaren vijftig, toen ik opgroeide, was op vakantie gaan nog iets bijzonders. Wij gingen elk jaar naar Lausanne, ik geloof dat ik het enige kind in de klas was dat naar het buitenland ging. Eind jaren vijftig begon de hippiestroom op gang te komen. Stikjaloers was ik op die hippies die met hun rugzakken naar India trokken. Ik idealiseerde het nogal, geloof ik. Toen ik zelf de leeftijd had dat ik weg kon, had ik me voorgenomen dat ik elk jaar in een ander land wilde wonen en daar dan een heel jaar mee wilde maken, met alle seizoenen. Het is er niet van gekomen, al heb ik in vijf verschillende landen gewoond, meestal langer dan een jaar. Nu wonen we al heel lang in Londen, maar tijdens het maken van deze film heb ik een tijd vooral in Frankrijk gezeten, in Angoulême waar de studio was.’

‘Ik werk heel graag, maar ik heb me meer dan eens afgevraagd of het wel verstandig was om dit vak uit te oefenen. Ik ben perfectionistisch en kan in mijn streven naar perfectie heel ver gaan. Het is een verlangen dat elke kunstenaar kent, het verlangen naar een ultieme schoonheid. In mijn werk kan ik veel kwijt, maar tegelijkertijd: het kan voor mijn gevoel altijd beter, mooier. Waar de meesten ophouden, ga ik door. In de documentaire die Maarten Schmidt en Thomas Doebele maakten tijdens de productie van The Red Turtle zeg ik dat toen die film uiteindelijk op slot zat, ik eigenlijk nog drie dagen had willen hebben. Maar ook dat zal niet genoeg geweest zijn.’

‘Dat verlangen heeft een keerzijde. Ik ben van jongs af gevoelig geweest voor… Ik wil het geen depressies noemen, het zijn meer periodes dat ik de passie voor het leven niet sterk voel. Het is een gevoel van leegte dat zich dan aandient. Ik weet nu dat het vaak te maken heeft met vermoeidheid en dat het voorbij gaat. Heel soms steekt het de kop op als ik niet moe ben. Het heeft even geduurd voordat ik heb geleerd hoe ik er mee om moet gaan. Toen ik in de twintig was wist ik het nog niet, dan slokten die periodes me op, of eigenlijk wil je er van weg. Inmiddels weet ik dat het geen zin heeft om er voor op de vlucht te gaan of om afleiding te zoeken. Daar gaat het zeker niet van weg. Als ik het nu aan zie komen dan open ik mijn armen. Daar ben je weer, kom maar. Wat niet wil zeggen dat het geen nare periodes zijn, maar in het accepteren ligt wel de sleutel.’

‘Mijn nieuwe film gaat hier over. In The Red Turtle leidt een man schipbreuk, en komt terecht op een tropisch eiland waar hij in conflict raakt met de natuur en het leven. Hij wil in eerste instantie alleen maar weg van het eiland. Hij bouwt het ene vlot na het andere, en steeds wordt hij geconfronteerd met een schildpad die hem tegenhoudt en zijn vlot ruïneert. Steeds moet hij terug, hij wordt kwaad, wanhopig, moedeloos, maar uiteindelijk accepteert hij wat er is. Nu is er wel iets om voor te blijven: een vrouw, de liefde. Maar hij kiest echt, door op een gegeven moment een onvoltooid vlot de zee in te duwen. Het accepteren is ook een meebewegen met het leven, dat alomvattend is.’

‘Ik heb deze film gemaakt voor de Japanse Ghibli studio’s. Het is de eerste keer dat ze met een niet-Japanse animator werkten. Ik mocht zelf het onderwerp van de film bedenken. Ik heb veel gesprekken gehad met Isao Takahata, die de studio mede heeft opgericht en er veel films voor heeft gemaakt. Zijn animaties zijn zo mooi. Hij heeft er een gemaakt, My Neighbours The Yamadas, die is opgebouwd als een haiku, heel zintuigelijk. Er is een hoofdstukje dat me speciaal is bij gebleven, waarin een van de personages thuiskomt, gaat zitten, een banaan eet, in slaap valt. Er is alleen maar een situatie – geen evolutie, enkel de observatie van het moment. Het vergt moed om zoiets te durven. Natuurlijk heeft de rest van de film wel een narratieve structuur, maar dan nog.’

‘Aan The Red Turtle heb ik tien jaar gewerkt. Bij een korte animatie werk je met drie, vier man. Hier was een team van rond de dertig mensen – twaalf animator voor de karakters, zestien voor de special effects – dag in dag uit aan het werk. Een daarvan is er één een jaar lang bezig geweest met de storm in de openingssequentie. Zo’n team aanvoeren, was een uitdaging. Ook al waren het stuk voor stuk mensen die net als ik op zoek waren naar een poëtische kwaliteit. We werden een vriendengroep, dat kan bijna niet anders als je zo intensief samenwerkt. Tegelijkertijd was er een hiërarchische structuur, ik stond aan het roer en uiteindelijk maakte ik de artistieke beslissingen. En dan waren er de producenten, die als bad cops fungeerden. Die op hun horloge tikten en het tempo nog verder opvoerden. Op een gegeven moment moesten de animotors drie seconden film per dag maken. Dat is heel veel.’

‘Mijn films zijn niet per se geschikt voor kinderen. Ik weet nog dat toen ik Father and Daughter aan mijn destijds vijfjarige dochter liet zien, ze perse wilde weten wat er gebeurde met de vader die weggaat. In de film stapt hij in een boot en roeit weg. Het blijft in het midden wat er gebeurt, maar daar nam ze absoluut geen genoegen mee. ‘Wat gaat die man dan doen en waarom gaat hij weg?’ Toch bleken niet alleen kinderen er mee te worstelen, ik kreeg ook brieven van volwassenen. Een Chinese leraar vertelde me een keer dat hij de film met een groep volwassenen had bekeken en na afloop had gevraagd waarom ze dachten dat hij wegging. In koor hadden ze gezegd: ‘Hij gaat naar de revolutie’.

‘Je kunt met veel wegkomen in animatie, het hoeft niet allemaal logisch te zijn. Maar je moet er wel voor zorgen dat de toeschouwer zich zo veilig voelt dat hij zijn eigen interpretatie durft toe te laten. “Bewust mysterie creëren” noem ik dat. Dat er in deze film een rode schildpad zit die transformeert tot een vrouw, dat zal de toeschouwer als het goed is, begrijpen. Maar het blijft kwetsbaar. Ik verwacht dat er vanaf nu bij elke vertoning, in elke bioscoop wel iemand weg zal lopen. Want ja… dat kan toch helemaal niet: een schildpad die in een vrouw verandert!’

The Red Turtle draait vanaf 7 juli in de bioscoop