American Gods S01: Schitterende roadmovie

Amazons paradepaardje American Gods is serieuze concurrent voor Game of Thrones.

Let op! Dit artikel bevat spoilers.

De ontdekking van Amerika door westerse volkeren had tot gevolg dat de bizon, de grote grazer op de vlaktes in het Middenwesten, nagenoeg uitstierf. In American Gods zien we deze verschijning telkens terug: op T-shirts en neonreclame, als exponenten van de consumptiemaatschappij. En ook als briesende schim, met vurige ogen: als waarschuwing voor wat komen gaat. Ironisch genoeg zijn de badlands, de natuurlijke habitat van de bizon, tegenwoordig kurkdroog. Dankzij de massale jacht op het woeste rund dat symbool staat voor de teloorgang van de culturen – en religies – van de oorspronkelijke bewoners van Amerika. In American Gods worden we telkens herinnerd aan die inktzwarte pagina – of eigenlijk een ontzaglijk boekwerk – uit de Amerikaanse geschiedenis.

Met de komst van de nieuwe bewoners, de kolonisten, kwamen in de loop van de eeuwen nieuwe culturen, en dus nieuwe goden, mee naar Amerika. De macht van deze entiteiten wordt bepaald door de grootte van hun gevolg. Dat is het spirituele uitgangspunt in het verhaal. In de loop van de tijd hebben antieke goden als Odin en Ostara – evenals profeten als Jezus Christus (en daar zijn er een veelvoud van) – een deel van hun discipelen verloren aan een gezelschap van nieuwe goden: de vertolkers van massaconsumptie en technologische innovatie. In dit eerste seizoen zien we de opmaat naar een verwoestende oorlog tussen de twee partijen. Door de ogen van hoofdpersoon Shadow Moon (Ricky Whittle): de archetypische einzelgänger die niet zou misstaan in een western. Want hoe je het ook wendt of keert: Amerika wordt nog steeds bevolkt door cowboys.

Amerika heeft in tegenstelling tot Europa geen keur aan middeleeuwse sprookjes. Het land werd immers pas ontdekt in 1492 – hoewel de term ‘ontdekken’ buitengewoon eufemistisch is. Vandaar dat de grote narratieven altijd leunen op het verschuiven van de frontier: de periode van het wilde westen. Daarin zit het grensverleggende aspect. De makers van American Gods, Bryan Fuller (bekend van Hannibal) en Michael Green (Kings), maken naarstig gebruik van die wetenschap en plaatsen de acht afleveringen daarnaast in de tijd van nu. Ze bewerken het briljante bronmateriaal, het gelijknamige boek uit 2001 van Neil Gaiman, tot een schitterende roadmovie, vol referenties aan Americana.

Evergreens als Where Did You Sleep Last Night begeleiden beelden van uitgestrekte landschappen. In American Gods is men altijd onderweg: Shadow Moon, een getroebleerde ex-gevangene die niets meer heeft om voor te leven, rijdt met Mr. Wednesday (Ian McShane in optima forma) in een antieke Cadillac naar de zonsondergang. Van plek naar plek; van god naar god. Mr. Wednesday is in werkelijkheid de Scandinavische god Odin; op zoek naar medegezanten voor zijn strijd tegen de nieuwe goden. Hoewel deze queeste in de eerste afleveringen nog onduidelijk is. Dat incoherente, eclectische karakter is evenwel nodig om de spanning erin te houden. Hoewel diegenen dit het boek wel hebben gelezen ook volop zullen genieten van de pracht en praal.

American Gods ziet er schitterend uit: de cinematografie is subliem. Zelfs het gebruik van CGI is nergens storend. Er is over elk shot nagedacht waardoor de ene scène nog schilderachtiger oogt dan de andere. De mise-en-scène is sfeervol en ondersteunt het beklemmende en bijkans sensuele karakter. De wonderlijke composities van Brian Reitzell completeren het geheel: zijn gebruik van dissonante saxofoonpartijen en absurd tromgeroffel werken uiterst vervreemdend. Dat is ook noodzakelijk: neem de scène waarin de slavernijgeschiedenis aan bod komt. De virtuoze jazz die we horen zal later door nazaten van de slaven – die dan (ook eufemistisch) Afro-Amerikanen worden genoemd – worden gemaakt.

De geschiedenis wordt zo telkens teruggeleid naar het heden, waarin racisme nog steeds welig tiert: daar winden de makers geen doekjes om. Ook de Mexicaanse grensproblematiek wordt behandeld, evenals de komst van moslims naar Amerika. Soms lijkt het alsof niets onbesproken blijft: alsof American Gods – waarin de afname van traditionele religie centraal staat – zelf verwordt tot een soort bijbel, met zijn sterke symboliek en prachtig lichtspel. Met Mark Lanegan die op bezwerende wijze I Put a Spell on You ten gehore brengt. Want in dit magisch-realistische epos worden we voortdurend betoverd (en ook op het verkeerde been gezet). Bijvoorbeeld door een shot van een rij kogels. Zo mooi en zo gevaarlijk: een reflectie van de dualiteit van het leven. En een reflectie op de macht van de Amerikaanse wapenlobby.

De bovengenoemde episode is tevens een weinig subtiele verwijzing naar de aanwezigheid van sluimerend fascisme in Amerika: met de NRA – de National Rifle Association – als oppergod. Vandaar ook het betoog voor de vrouw als remedie tegen het wapengeweld; die met haar baarmoeder juist creëert, in plaats van verwoest. Laura Moon (Emily Browning) vertolkt een sterke – dood gewaande – vrouw, op zoek naar haar echtgenoot. Yetide Badaki speelt Bilquis, de koningin van Seba die haar minnaars verorbert met haar vagina. Ook seksualiteit is een nijpend thema in American Gods. En alle voorkeuren passeren de revue.

Je mag de emanciperende werking van American Gods – met in de hoofdrol een donkere acteur – dan ook niet onderschatten. Dat het tweede seizoen al lang en breed is aangekondigd komt derhalve niet als een verrassing. Amazon heeft met American Gods eindelijk een franchise in handen die de concurrentie aankan met Game of Thrones. Sterker nog: de laatstgenoemde fantasy reeks verbleekt bij de aanblik van de Amerikaanse goden.

American Gods, vanaf 1 mei bij Amazon Prime